Enkele recente publicaties en selectie:

Etalage voor Goede

Ideeën (serie Volkskrant vanaf 18 oktober 2008))

De ontheemde arbeider (Intermediair 1 mei 2008)

Adri Duivesteijn: ‘De stilte in de PvdA is dodelijk’ (Intermediair 13 juni 2007)

Er is veel dat de PvdA-politicus en de Oranje-coach verbindt (Parool 25 november 2006)

Serie interviews lijsttrekkers PvdA, SP en VVD, mijn eerste honderd dagen als....(Intermediair, 2, 9 en 16 november 2006)

Deze titanenstrijd is misleidend (de Volkskrant, Forum, 5 oktober 2006)

Justitie laat burger zitten (de Volkskrant, Forum, 11 april 2006)

Wouter Bos is bindend leider met bindingsangst (de Volkskrant, Forum, 9 maart 2006)

Bangkok op de fiets (Parool 31 december 2005)

Freakonomics, het abortuswonder (Vrij Nederland, 6 augustus 2005, boekbespreking)

De opkomst van de klaagpoliticus (Vrij Nederland, 23 juli 2005, essay)

Tijd voor journalistieke zelfreflectie (Vrij Nederland, 2 juli 2005, boekbespreking)

Het relaas van Marcel van Dam . mega-interview (Groene Amsterdammer, 24 juni 2005)

De Ziener van Verdonk (Groene Amsterdammer, 8 april 2005, boekbespreking)

Essay abdicatie Beatrix (VN, 5 februari 2005)

Reddeloos in Zambia (VN, 22 januari 2005, reportage)

Vloeken in de rechtse kerk, waarin nieuw rechts lijkt op oud links (VN, 24 april 2004)

Veroordeeld in Thailand (VN, 5 juni 2004)

Groeten uit de hel van Thailand (VN, 13 december 2003)

Boos op Brussel, over Nederlandse Euroscepsis (VN, 13 maart 2004)

Land van kleine angsten (VN, 14 december 2002)

 

Artikelen

Binnenkort lanceer ik een nieuwe, sterk verbeterde, website. Daarom is deze site wat minder actueel.

 

(Wordt Vervolgd. 25 maart 2015)

 

'Ik ben getergd'


 

 

 

 

© Paul Leviton / HH

 

De Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan zegt trots te zijn op de manier waarop zijn stad opkomt voor mensenrechten. De forse kritiek die hij krijgt op vooral de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers is volgens hem niet terecht. ‘Actievoerders vergeten voor het gemak dat ik niet beslis wie wel of niet mag blijven.’

Tekst: Michiel Zonneveld

‘Ik zal het maar meteen zeggen’‚ zegt de Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan (1955) aan het begin van het gesprek op zijn werkkamer in het stadhuis. ‘Ik heb eigenlijk totaal geen zin in dit interview. De enige reden dat ik dit doe‚ is omdat ik Amnesty een belangrijke organisatie vind.’
Het gesprek zal onder andere gaan over de opvang van afgewezen asielzoekers in Amsterdam‚ ook in vergelijking met andere gemeenten. De PvdA’er vindt dat Wordt Vervolgd en diens uitgever Amnesty zich te veel vereenzelvigen met de actievoerders die zich voor hen inzetten. ‘Als je kritiek hebt op landen die mensenrechten schenden‚ is kennelijk de gedachte‚ moet je ook extra kritisch zijn op wat hier gebeurt. De kunst is dan wel de nuance niet uit het oog te verliezen. Anders verliezen je woorden hun betekenis.’

U zei in 2012 bij de herdenking van de Februaristaking: ‘Als wij niet op onze beurt bereid zijn voor gerechtigheid op te komen‚ kunnen we hier net zo goed niet staan.’ U staat‚ neem ik aan‚ nog steeds achter deze uitspraak. 
‘Vanzelfsprekend.’

Dan moet het pijnlijk zijn dat de BBC afgelopen winter harde kritiek uitte op de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers in Amsterdam. De verslaggeefster noemde die ‘hard en wreed’. 
‘Hard en wreed? Dat is echt flauwekul. We lopen juist voorop in een humaan opvangbeleid. Amsterdam heeft als een van de eerste steden in Nederland met het probleem van uitgeprocedeerde asielzoekers te maken gekregen. Dat was het gevolg van het bestuursakkoord tussen staatssecretaris van Justitie Nebahat Albayrak (PvdA) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) uit 2007‚ waarbij is afgesproken dat er een generaal pardon zou komen‚ maar dat gemeenten de vreemdelingen die daar niet onder vielen niet meer mochten opvangen. Wij hebben herhaaldelijk duidelijk gemaakt dat dit een onhoudbare situatie is. Een grote groep uitgeprocedeerde asielzoekers werd gedwongen rond te zwerven‚ of van kraakpand naar kraakpand te verhuizen. We hebben ons ingezet voor een voorziening waarin ze bed‚ bad en brood zouden krijgen.

‘Uiteindelijk leidde dat in 2013 tot het experiment in de Vluchthaven (in een voormalige gevangenis aan de Havenstraat‚ red.)‚ waarin ze ook overdag werden opgevangen. Met veel moeite kregen we daar van Albayraks opvolger Fred Teeven (VVD) de ruimte voor. Het ging om 159 mensen. We gaven hun na jaren van zwerven een half jaar de kans om bij te komen. Ze kregen er medische hulp en degenen met heel zware psychische problemen kregen extra steun en aparte opvang. VluchtelingenWerk hielp ze met een check van hun documenten om te kijken of ze niet alsnog konden blijven. Ze konden cursussen volgen‚ 125 hebben dat gedaan: ik ken de getallen nog uit mijn hoofd. Opleidingen tot automonteur‚ schilder‚ kapper‚ noem maar op. In de opvang in Ter Apel krijgen ze die niet.’

En een deel moest in ruil voor dit aanbod vertrekken.
‘Daar waren we eerlijk in‚ en dat was ook een van de voorwaarden van Den Haag om het experiment toe te staan. Vooraf hadden de uitgeprocedeerde asielzoekers ervoor getekend dat ze zouden meewerken aan terugkeer als dat mogelijk was. Maar ook voor hen zochten we een zo goed mogelijke oplossing. In Ethiopië hadden we van drie bedrijven baangaranties gekregen. Staatssecretaris Teeven zegde een bedrag van 4.400 euro per persoon toe. Daar kan je in de landen van herkomst veel mee doen. Maar aan het eind kwam er een aap uit de mouw.’

Een aap uit de mouw? 
‘Uiteindelijk konden er ongeveer zestig mensen uit die Havenstraatgroep terugkeren. Maar weet u hoeveel er in 2013 waren vertrokken? Niet meer dan vijf. Zo zie je wat het probleem is van een burgemeester en een gemeenteraad die barmhartig willen zijn.’

Welk probleem bedoelt u?
‘Er was bij de vreemdelingen en de actievoerders sprake van een groepsproces. Sommige vreemdelingen hadden geen enkele kans op een verblijfsstatus‚ maar ze wilden ook niet meewerken aan een andere oplossing. De druk om zich met die enkelen te solidariseren was erg groot. Want anders zouden ze de gezamenlijke actie om te mogen blijven‚ ondermijnen.’

En daarom besloot u het beleid om te gooien? 
‘Onze conclusie was dat het beleid zowel geslaagd was‚ als dat het had gefaald. Geslaagd omdat we in een half jaar heel veel voor die mensen hadden bereikt. De meesten kwamen gedemoraliseerd binnen‚ maar kregen al snel weer zin in hun leven. Ze zagen weer perspectief. Maar wat we ook leerden is dat er een groep is die maar één ding wil: hun verblijf continueren‚ en die daarin gesteund worden door actievoerders van buiten. Al regel je alles: dan nog is het kansloos ze te laten terugkeren.
Daarom besloten we twee dingen te gaan doen. Het eerste is dat we alle uitgeprocedeerde asielzoekers een bed‚ bad en broodregeling aanbieden. Daarmee garanderen we een humanitaire ondergrens. Om dat voor elkaar te krijgen hebben we in Den Haag veel moeten soebatten. Daarnaast starten we vanaf 1 juli het programma Vreemdelingen‚ met onder meer een 24-uursopvang – waar mogelijk – op één locatie. Daar kunnen mensen terecht die zeer kwetsbaar zijn of met grote psychische problemen kampen. Dat deden we al‚ maar dit zal professioneler worden. Verder komt er een plek voor mensen die willen meewerken aan hun terugkeer. Die krijgen begeleiding op maat. In totaal wordt daar 1‚7 miljoen euro voor uitgetrokken. We hebben de drie andere grootste gemeenten uit de G4 meegekregen en ook de VNG. Inmiddels was Teeven over twee bruggen gegaan. Hij stond het toe én de staat betaalt voorlopig mee. Dus wat nou hard en wreed? Een modale actievoerder zou met zo’n resultaat toch op tafel dansen van plezier?’

Maar niemand danste. 
‘Weet u waarom? Omdat we op deze manier een einde maken aan de gijzelingssituatie die ik net beschreef. De actievoerders willen uiteindelijk maar één ding: dat iedereen die zich hier meldt een verblijfsvergunning krijgt. Daarom protesteren ze luid tegen alles wat het gemeentebestuur doet en voorstelt. Ze vergeten dan voor het gemak dat wij als gemeente helemaal niets te zeggen hebben over wie er wel of niet mag blijven.’

Niet alleen de actievoerders hebben kritiek. Afgelopen maand nog oordeelde de rechter dat de gemeente de door uitgeprocedeerde asielzoekers gekraakte Vluchtgarage tot 1 mei moet openhouden omdat het inhumaan is de bewoners in de winter op straat te zetten. Waarom laat Amsterdam het op dat soort uitspraken aankomen? 
‘Ik zeg normaal gesproken nooit iets over rechters of over lopende zaken. Maar we hebben hier hoger beroep tegen aangetekend. De vraag was of de gemeente ook voor dagopvang moest zorgen‚ wat wij bestrijden‚ of dat de groep via particuliere initiatieven opvang zou kunnen krijgen. Overigens zouden we de groep elders nachtopvang hebben gegeven.’

De groep vreemdelingen en de actievoerders klagen dat de nachtopvang in Osdorp‚ op het eindpunt van tramlijn 17‚ ver van het centrum is en ver van de voorzieningen. Was het een bewuste keuze dat te doen? 
‘Die opvang is helemaal niet ver van de voorzieningen en ver van de stad. We hebben er juist veel energie in gestoken om goede locaties te vinden. Het moest groot genoeg zijn en we moesten het zo organiseren dat er in de buurt zo min mogelijk overlast is. Daarnaast kunnen ze naar een particuliere dagbesteding gaan.’

Maar vreemdelingen krijgen slechts één keer een tramkaart aangeboden‚ alleen om zich aan te melden. 
'Dat is niet waar. Iedere vreemdeling die gebruikmaakt van de bed‚ bad en broodopvang krijgt bij mijn weten een kaartje voor de tram om er te komen en een kaartje om na het ontbijt weer te vertrekken. Als dat niet zo is‚ moeten we dit aanpassen.* Maar nogmaals: er zal altijd propaganda tegen het stadsbestuur zijn van degene die maar één ding wil: een verblijfsvergunning. Zolang we die niet aan ieder individu van deze groep geven‚ is het in de ogen van de vreemdelingen en de actievoerders allemaal niks wat we doen. Zo’n uitspraak zal je normaliter niet in Wordt Vervolgd lezen. Maar het komt van iemand die internationalist is‚ die sociaal en barmhartig is‚ maar hier dus niet intrapt!’

U bent getergd? 
‘Natuurlijk ben ik dat‚ want u stelt clichévragen. Ik ben gewoon te moe voor dit gedoe! Die kritiek is zo makkelijk... Ik kreeg een lange excuusbrief van een actievoerder die ons beleid eerder met waterboardingvergeleek. We zouden ons schuldig maken aan slaaponthouding. Hij gaf toe dat hij te ver was gegaan. Maar je hebt geen zak aan zo’n brief‚ want hij heeft zijn woorden in het openbaar nooit teruggenomen. Gelukkig denken andere actievoerders er genuanceerder over. Zal ik eens voorlezen wat één van hen aan me schreef toen Teeven begin dit jaar de opvang niet alleen toestond‚ maar de opvang met terugwerkende kracht ook betaalde? “Wow! Teeven is om en gaat betalen‚ lees ik. Wat een goed nieuws. Gefeliciteerd. Heel knap werk‚ en vooral: dank je wel.” En dat is van iemand de superkritisch is. Maar zij durft ook eens te zeggen: dit is goed. Zo iemand kan bij mij dus niet stuk.’

Welke actievoerder schreef die brief? 
‘Dat ga ik u niet vertellen.’

Een ander mensenrechtenonderwerp: Amnesty heeft een rapport geschreven over etnische profilering‚ het gevaar dat vooroordelen een rol spelen bij de manier waarop de politie mensen selecteert voor ze tot aanhouding overgaat. Het is een thema dat Amnesty aan de orde… 
‘Het was onze eigen politie in Amsterdam‚ die dit fenomeen aan de orde stelde. Zij heeft antropoloog Sinan Çankaya onderzoek laten doen. In 2013 heeft hij een rapport geschreven‚ dat Amnesty vervolgens heeft opgepikt.’

Maar wat gaat de politie doen met het rapport? ‘Binnenkort komen we met de voorstellen naar buiten die naar aanleiding van het rapport zijn opgesteld. Wat dat betreft stelt u deze vraag te vroeg. Maar de politie is er al mee bezig. Ik ben ook heel blij dat onze politie het probleem niet onder het tapijt schoof‚ maar meteen zei: “This is serious business”. Terwijl elders bij de politie toch vaker de vraag was of we nu wel echt zo’n groot probleem te pakken hadden.’

Wat doet de Amsterdamse politie concreet? 
‘Als de politie preventief fouilleert‚ wordt dat bijvoorbeeld standaard bij elke vijfde passant gedaan. Ze selecteren dus niet op kleur. Maar het belangrijkste is dat de Amsterdamse politie een netwerk in de samenleving heeft. We hebben een netwerk Roze in Blauw‚ waarin homoseksuele agenten contact houden en overleggen met de gay-gemeenschap. Er bestaat een soortgelijk netwerk Marokkanen in Blauw‚ een Turks en een Joods netwerk. Daardoor heeft de Amsterdamse politie veel meer contact met de samenleving dan korpsen in veel andere westerse landen. In de gesprekken komt een probleem als etnisch profileren aan de orde. Daardoor hebben we het probleem goed op de radar en denken we samen met betrokkenen na over alternatieven. Wel maak ik me zorgen dat er sinds de vorming van de nationale politie steeds minder ruimte is voor dit soort eigen initiatieven‚ maar dat is een andere discussie.’

Als burgemeester van de hoofdstad komt het mensenrechtenbeleid ook aan de orde in de contacten met buitenlandse staatslieden. U liet in 2013 bijvoorbeeld verstek gaan bij het bezoek van de Russische president Vladimir Poetin aan het Amsterdamse Scheepvaartmuseum als protest tegen de antihomowetgeving. Wat voor effect heeft dat gehad? 
‘Effect? De Amsterdammers hebben gezien dat er voor ons grenzen zijn. Ik heb toen gezegd dat ik geen tijd had. Maar het was duidelijk waarom ik wegbleef. In mijn plaats heb ik mijn toenmalige locoburgemeester‚ de lesbische Carolien Gehrels gestuurd. Het was een forse schending van het protocol. Maar het was nuttig. De homogemeenschap in Amsterdam was heel enthousiast.’

Was het sturen van Gehrels niet wat ongemakkelijk? Daarmee maakte u zelf ook weer onderscheid. 
‘Dit vind ik dus geouwehoer. Op dat moment is het first things first. Die man had een walgelijke wet uitgevaardigd. Ik ga dan niet als een gedresseerd aapje handen schudden. Dan stuur ik Gehrels om te laten zien hoe normaal gays zijn. Wat heb ik dan fout gedaan? Ik kreeg vanuit de VS complimenten en u weet het nog zo te draaien dat ik me zou moeten verantwoorden.’

Hoe is vanuit Rusland gereageerd op uw actie? 
‘De autoriteiten vonden het natuurlijk niet leuk. Ik heb verder discussies met Amsterdammers gevoerd die zaken doen met Rusland. Die heb ik allemaal kunnen overtuigen dat we daar een grens trekken. Of is dat ook niet goed? U gaat nu hopelijk toch niet klagen dat ik de handelsbetrekkingen onder druk heb gezet?'
‘Ik vind dat je je nek moet durven uitsteken. Toen vorig jaar een delegatie onder leiding van de Chinese president Xi Jinping op bezoek kwam‚ was er een demonstratie op de Dam tegen hem. Amnesty had een spandoek van tien bij tien meter opgehangen. De Chinezen zijn een belangrijke handelspartner. To

Reageren? wordtvervolgd@amnesty.nl

ch heb ik gevraagd of het spandoek niet nog wat groter kon. Toen de president aankwam‚ werden er door zijn staf schermen opgeklapt waarlangs hij het paleis kon betreden‚ zodat hij de demonstranten en het spandoek niet hoefde te zien. Daarmee zetten de Chinese autoriteiten zichzelf wel te kijk‚ maar ook dat mag. In deze stad mag alles. Dat is de waarde van de stad.'

* Een week na het gesprek laat Van der Laan weten dat uitgeprocedeerde asielzoekers nu inderdaad geen tramkaartjes krijgen. Hij zegt toe dit te veranderen nog voor de verschijning van dit blad.

 

 

 

 

 

Durf te ontzorgen!

 

(artikel in Trouw en voor website sociale vraagstukken, 23-1-2013)

Pieter Hilhorst Michiel ZonneveldDurf te ontzorgen!

Opvoeden is steeds meer een zaak van ouders alleen geworden. Opa en oma wonen elders. De tijd dat het gewoon was dat je elkaar als buurt- of dorpsgenoten hielp met opvoeden, lijkt zo goed als voorbij. Ondertussen worden de eisen die we aan opvoeding stellen steeds hoger.

Als een kind of een gezin in de problemen komt, staat niet automatisch meer een leger aan familie, vrienden en buren klaar. Niet altijd kunnen de ouders die zware rol aan. Het gat in de sociale infrastructuur wordt gevuld door een leger van politiemensen, buurtregisseurs en professionele toezichthouders. Ook de jeugdzorg probeert de lacune te vullen. De even snelle als bizarre stijging van de kosten van de intensieve jeugdzorg is daar een aanwijzing van. In het onderwijs zien we een enorme groei van het aantal kinderen met een rugzakje. Het ene kind krijgt de diagnose adhd, het andere die van een zwaardere of lichtere vorm van autisme.

Opvoedvragen zijn geen zorgproblemen

De opgave waar we in Nederland voor staan, is hoe we ontzorgen: hoe we met behulp van eigen krachten en sociale netwerken niet langer opvoedvragen tot zorgproblemen maken. Dat geldt op veel terreinen, maar zeker voor de opvoeding. Daarvoor zijn verschillende redenen. Misschien is nog het minst doorslaggevende dat de kosten van de jeugdzorg eenvoudigweg niet meer zijn op te brengen. Steeds duidelijker wordt dat we een weg bewandelen die onvoldoende soelaas biedt. Het beleid is te veel gebaseerd op de illusie dat je de directe omgeving niet nodig hebt om problemen op te lossen. In het geval van kindermishandeling werken we liever met een systeem van risico-indicaties (om het misbruik te voorkomen), zware hulpverlening en uithuisplaatsing, dan dat we de buren of familie inschakelen.

Eigen netwerk heeft voldoende power

Gelukkig proberen mensen ook het heft in handen te nemen. Een voorbeeld zijn de Eigen Krachtconferenties, waarin mensen met problemen gevraagd wordt te zoeken naar mensen in hun eigen sociale netwerk om problemen op te lossen. In Amsterdam leidde het al tot spectaculaire resultaten. Eenzelfde streven naar problemen op eigen kracht oplossen (empowerment) zit achter de filosofie van de Pedagogische Civil society die door de Utrechtse pedagoog Micha de Winter in het debat is geïntroduceerd.

Ontzorgen vraagt om mentaliteitsverandering zorgverleners

Maar helaas is de strijd nog niet gewonnen. Als je werkelijk wilt ontzorgen, en mensen weer het heft in eigen hand wilt geven, vergt dat een radicale mentaliteitsverandering in de zorg. Veel zorgverleners hebben wel de mond vol van empowerment, maar de cruciale vraag is of ze ook uit de rol van grote probleemoplosser durven te stappen. Voor een deel van de zorgsector zal het ook een erkenning moeten zijn dat het aanbod van intensieve zorg wordt toegepast op veel lichte problemen.

Met concrete initiatieven moet duidelijk worden gemaakt dat het anders kan. Tot nu toe is een aantal initiatieven door de overheid gesubsidieerd. Over het algemeen zijn het zeer sympathieke projecten, gericht op het stimuleren van ontmoetingen tussen ouders. Zoals mama-cafés, waarin jonge moeders ervaringen uitwisselen. Maar nog interessanter wordt het als ouderen en jongeren samen proberen de spanningen in hun buurt te verminderen (zoals in Venlo gebeurt), of bij kindermishandeling de familie en omgeving in te schakelen.

Of de jeugdzorg daardoor ook goedkoper wordt? Dat zou mooi meegenomen zijn.

Dit artikel is een verkorte versie van het essay “De gewoonste zaak van de wereld. Radicaal kiezen voor de pedagogische civil society” dat 23 januari werd gepresenteerd op het RMO-symposium “Verder denken over de pedagogische civil society” ter gelegenheid van het afscheid van Micha de Winter als raadslid van de RMO.

 

Verscheen januari 2013.

klik hier om essay te downloaden

 

Selectie:

Rubriek: ESSAY
Vrij Nederland 23-07-2005


Het kabinet-Calimero

De opkomst van de klaagpoliticus
Door Michiel Zonneveld

 

Het kabinet maant WAO'ers, uitkeringsgerechtigden en allochtonen de eigen verantwoordelijkheid te nemen en zich niet te wentelen in een slachtofferrol. Intussen profileren politici zichzelf steeds vaker als slachtoffers van de linkse media, het politiek correcte denken, de Brusselse bureaucratie en de islam.

Het is moeilijk vol te houden dat niemand de nadelen van een slachtoffercultuur ziet. Het woord ‘eigen verantwoordelijkheid' ligt in de mond van bijna iedere politicus en spraakmakende meningenverkoper bestorven en vervolgens is het maar een klein stapje naar ‘eigen schuld'. Wie begint over jonge allochtonen die kansloos zijn op de arbeidsmarkt, kan op een meewarige blik rekenen. Hoezo discriminatie? Ze hadden toch een diploma kunnen halen in plaats van de school voortijdig vaarwel te zeggen? En hebben jonge Marokkanen of Antillianen niet gewoon een te grote bek tegen hun werkgevers? Begrip voor langdurig werklozen is ook al uit de mode. Wij moeten ze niet langer doodknuffelen, zij moeten de handen uit de mouwen steken. Een crimineel die nog over zijn slechte jeugd begint, maakt zelfs een goede kans vierkant te worden uitgelachen. Het is dus niet vreemd dat het boek Leven aan de onderkant van de Engelse psychiater Theodore Dalrymple in ons land zoveel instemming kreeg. Zijn boodschap is dat het hoog tijd is op te houden mensen als slachtoffer te zien van een onrechtvaardige maatschappij. De echte problemen zijn het gebrek aan moraal en ambitie bij de onderklasse zelf.

Ik geloof niet in de radicale visie van Dalrymple. Eigen keuzen bepalen lang niet alles. Met een beroep op ‘eigen verantwoordelijkheid' kunnen we mensen ook flink de vernieling in helpen. De WAO'er bijvoorbeeld die straks voor de helft wordt goedgekeurd en zonder kans op een baan een deel van de uitkering verliest. De oudere werkloze die, omdat iedereen moet werken, moet solliciteren op banen die er niet zijn. Toch is mijn grootste bezwaar tegen de analyses van de slachtoffercultuur niet dat ze overdreven zijn, maar dat ze slechts worden toegepast op de zogeheten ‘marginale groepen in de samenleving'. Met de opkomst van het populisme, is ook de slachtofferpoliticus opgestaan, een type dat in geen enkel opzicht marginaal is.

De eerste – en meteen ook belangrijkste – exponent daarvan was Pim Fortuyn en hij werd er bijna premier mee. Al lang voor die fatale schoten van Volkert van der G. speelde hij met verve de rol van een man op wie de halve wereld het had voorzien. Het ging daarbij niet alleen om dreigementen. Die bevestigden slechts het beeld. In zijn laatste boek De puinhopen van acht jaar Paars verhaalt Fortuyn van een lange reeks krenkingen die hem in zijn leven ten deel waren gevallen. Van de schoolpsychologe die dacht dat hij net genoeg verstand had om zich op de ambachtsschool te redden. Van de agent die hem niet serieus nam bij het doen van aangifte (en bovendien veel te laat kwam). Van de bestuurders die het waagden zijn adviezen in de wind te slaan. Tijdens de verkiezingscampagne van 2002 volgde de klacht dat hij door de hele wereld – en de media en de gevestigde politiek in het bijzonder – werd ‘gedemoniseerd'. In elk interview gaf hij wel blijk van een intens gevoel van miskenning als wetenschapper, politicus, organisatieadviseur en liefdespartner.Het optreden van Fortuyn was een complete stijlbreuk met de manier waarop voorheen campagne werd gevoerd. Lijsttrekkers deden tot dan geen beroep op mededogen met henzelf (de enkele politicus die wel klaagde, was bezig afscheid te nemen van het Binnenhof). De burger wilden ze voor zich winnen met klinkende resultaten, nieuwe plannen en bewijzen van competentie. Tijdens de verkiezingscampagnes was alles erop gericht om de lijsttrekkers te presenteren als mannen en vrouwen die iets voor elkaar kunnen krijgen. Een succesvolle carrière vóór de politiek diende als een aanbeveling. Ruud Lubbers dankte zijn gezag niet alleen aan de resultaten die hij als politicus boekte, maar ook aan het feit dat hij mede-eigenaar was van een grote onderneming. Wim Kok maakte een bliksemstart als buitengewoon populaire voorzitter van de FNV. Zelden toonden politici emotie. Nimmer vertelden ze over tragische persoonlijke omstandigheden, tegenslagen of tegenwerking. Slechts af en toe gaf een lijsttrekker een persoonlijk interview. Dat middel werd dan niet ingezet om echt het hart uit te storten, maar om duidelijk te maken dat de politicus ook in het sociale leven in staat was de dingen naar de hand te zetten. Politici waren mannen van stavast en vrouwen van staal.

Fortuyn had succes omdat hij er in de campagne van 2002 in slaagde een grote groep kiezers zich met hem te laten identificeren. Want zijn we niet allemaal slachtoffers van de politieke elite, linkse media, het politiek correcte denken, de linkse kerk, de professionals in de collectieve sector, Brusselse bureaucraten, de criminelen, de islam, de immigranten en de pleitbezorgers van de zogenaamde multiculturele samenleving? Hij introduceerde daarmee iets dat veel meer is dan een simpel campagnefoefje. Sinds 2002 is het slachtofferschap onderdeel van de politieke stijl, van zowel het vocabulaire als de denkwijze van politici.

Het verwijt aan de onderklasse is dat ze de oorzaak van hun problemen nooit bij zichzelf zoeken. Maar als de premier van dit land weinig waardering krijgt van pers en medepolitici zoekt hij de schuld ook elders. Balkenende benoemt zich dan tot slachtoffer van het negativisme in de samenleving, bij de pers in het bijzonder. Dat het kabinet buitengewoon impopulair is, komt volgens CDA-staatssecretaris Cees van der Knaap van Defensie niet doordat het weinig tot stand brengt, maar door een toenemende respectloosheid van de burger. Als de PvdA-senaatsfractie tegen de gekozen burgemeester stemt, legt Wouter Bos daarover geen verantwoording af, maar zegt dat hij het gedoe van zijn partijgenoten ‘ook niet kan uitleggen'.

Sinds 2002 heeft haast elke politicus zich wel iets van het slachtofferjargon van Fortuyn eigen gemaakt. Bijna allen, van Jan Marijnissen tot LPF-kamerlid Joost Eerdmans, klagen over het ‘politiek correct' denken, waardoor je niet mag zeggen wat je vindt. De politici van VVD, CDA en natuurlijk LPF en de groep-Wilders, houden niet op te mopperen over de dictaten van de ‘linkse kerk'. Femke Halsema van GroenLinks doet hetzelfde over de ‘rechtse kerk'. VVD-leider Jozias van Aartsen smaalt over Haags gekissebis en gedoe onder de Haagse kaasstolp waar hij en ‘de mensen' niets van moeten hebben, terwijl hij zelf zijn hele werkzame leven op en rond het Binnenhof heeft doorgebracht. Ministers en kamerleden zuchten en steunen over het ‘regentendom', ‘de politieke elite' en het ‘establishment'. Het is net zoals sommige jeugdige criminelen over hun misdaden praten: alsof het allemaal niet over henzelf gaat.

Een kenmerk van de onderklasse, zo horen we telkens weer, is dat deze niet of nauwelijks bedenkt wat ze moet doen om problemen op te lossen. In plaats daarvan zoekt ze daders en schuldigen. De mensen van de sociale dienst die het wagen hun uitkering te korten. Het arbeidsbureau dat geen baan voor ze vindt. Bij overlast zijn zij niet het probleem, maar de politie die in hun ogen veel te autoritair optreedt. Precies hetzelfde doet een groeiend aantal politici, als ze de vraag krijgen voorgelegd wat ze denken te doen aan grote maatschappelijke problemen. Zelden zul je een meeslepende visie horen. In plaats van met plannen te komen, wijzen ze schuldigen aan. Als de woningbouw stagneert, verklaart minister van Volkshuisvesting Dekker zich slachtoffer van de woningbouwcorporaties die het geld oppotten. Alsof die corporaties niet gebruik maken van de ruimte die de overheid, en dus zij, hun toestaat. Nu de economie inzakt, de werkloosheid stijgt en de inkomensverschillen toenemen, leidt dat niet tot snelle en ingrijpende maatregelen. In plaats daarvan zetten links en rechts de aanval op de mannen met een topsalaris in. Natuurlijk werden er ook vroeger wel eens daders en schuldigen aangewezen (Kok sprak enkele jaren geleden, kort nadat zijn kabinet het toptarief van de inkomstenbelasting verlaagde, over ‘exorbitante zelfverrijking' aan de top), maar veel minder vaak dan nu.

Een actueel voorbeeld van de manier waarop het slachtofferdenken zich manifesteert, is de discussie over Europa die begin juni leidde tot een massale afwijzing van de Europese Grondwet. Een jaar geleden sprak ik voor dit weekblad met Atzo Nicolaï en wat daarbij vooral opviel, is hoe ook de VVD-staatssecretaris van Europese Zaken het jargon van Fortuyn had overgenomen. De ‘elite' had ‘te politiek correct' gedacht, zei de man die zelf lid is van de partij die de afgelopen decennia het vaakst in de regering heeft gezeten. Hij sprak over ‘het braafste jongetje van de klas zijn', ‘de kaas van het brood laten eten' en meer van die clichés (voorbeelden daarvan kon hij overigens niet noemen). De Nederlandse politici jammerden toen al vrijwel collectief over Brusselse bureaucraten en hun onstilbare regelzucht. Polen en Tsjechen verdrongen zich volgens hen aan de grenzen. De grote landen speelden onder een hoedje. De Zuid-Europeanen sjoemelden.

Een visie op Europa was in al dat gekrakeel nauwelijks te ontwaren, of het moest zijn dat het kabinet vond dat we minder aan ‘Brussel' moesten betalen. Net als bij de relschoppers in de Graafsewijk was er geen plaats voor nuancering en introspectie. Bijvoorbeeld voor het inzicht dat Nederland niet altijd zo braaf is en dat het niet voor niets is dat alle malafide geldstromen in de Italiaanse affaire-Parmalat langs Nederlandse banken liepen. Dat Nederland bij andere EU-landen grote ergernis wekt door hoofdkantoren van multinationals hierheen te lokken met extreem lage belastingtarieven. Niets was te horen over ‘ons' gesjoemel met Europese werkgelegenheidssubsidies. Nooit werden de verhalen over de hoge afdrachten gerelativeerd. Nadat het zogenaamde ja-kamp met de eigen tegenargumenten is verslagen, hadden volgens de leden van het kabinet-Calimero alweer de anderen het gedaan: de kiezers die om de ‘verkeerde' redenen nee hebben gestemd (minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken, toen het debacle zich had afgetekend). En Frankrijk en Duitsland, die het wantrouwen in ons land aanwakkerden door de afspraken om hun financieringstekort niet te veel te laten oplopen aan hun laars te lappen (minister Gerrit Zalm van Financiën). De plannen en visies die het kabinet nog wel ontvouwt, komen ongeveer op hetzelfde neer: meer repressie, meer confrontatie. Dat is ook niet zo vreemd als je de maatschappij ziet vanuit het perspectief van slachtoffer: daders en schuldigen moeten gestraft worden en de vijand bestreden. Dus dienen we de veel verdiende topmannen aan de ‘schandpaal' te nagelen en moeten we in Europa keihard de strijd aangaan om onze zin te krijgen.

Pijnlijk zichtbaar is deze houding ook in het minderhedendebat. Of liever: in de manier waarop dat versmald is tot een debat over de islam. In de politieke discussie figureert deze godsdienst als een potpourri van dreigingen voor ‘onze' tolerantie, de positie van de vrouw, de vrijheid, de democratie, enzovoort. Soms is er ruimte voor de nuance dat het gaat om de ‘radicale islam' (bij terreur), of om ‘uitwassen' (als het bijvoorbeeld gaat om genitale verminking van vrouwen). Maar even gemakkelijk gooit men alle moslims op één hoop, waarmee soennieten, alawieten, Ismaelieten, sjiieten enzovoort op een lijn worden gesteld met de Hofstad-groep. Met bijna een miljoen potentiële vijanden krijgt het slachtofferschap pas echt proportie.

Het idee dat ‘wij' het slachtoffer worden van ‘de islam' verwoordde Fortuyn het scherpst toen hij waarschuwde voor een ‘vijfde colonne' die hier de boel wilde overnemen. Zijn navolgers zijn meestal iets subtieler. Wilders nog het minst als hij spreekt over de ‘intrinsieke onverenigbaarheid' van de islam met democratie. Maar een heel eind in dezelfde richting is de redenering waarmee CDA-leider Maxime Verhagen pleitte voor de opname van een verbod van radicaal islamitische partijen in de wet. Volgens het CDA moest dit voorkomen dat er bijvoorbeeld in een deelraad van een van de grote steden een partij de macht zou krijgen die de sharia wil invoeren. Daarmee denkt het CDA dus dat het een reële mogelijkheid is dat alle moslims op zo'n fundamentalistische partij gaan stemmen. Na de moord op Van Gogh zei het VVD-kamerlid Hirsi Ali niet verbaasd te zijn, ‘want ik weet hoe de Arabische wraakcultuur werkt'. Haar partijgenoot Verdonk sprak als minister van Integratie over ‘de lagere tolerantiegrens van moslims'. VVD-fractievoorzitter Van Aartsen ging zelfs zo ver dat hij de situatie waarin ons land in die dagen verkeerde met de bezetting door de Duitsers vergeleek. ‘Sinds 1940 hebben we niet meer zo´n vijand in ons midden gehad. Zij willen onze samenleving vernietigen.' Hoe sterk de publieke opinie is omgeslagen, blijkt wel uit het hoofdredactionele commentaar van het doorgaans prudent-progressieve dagblad de Volkskrant: ‘Moslims zullen moeten accepteren dat in een democratie ook het geloof voor kritiek vatbaar is,' schreef de krant na de moord op Van Gogh, waarmee het onderscheid tussen Mohammed B. en Ali B. opeens nogal fluïde werd.

Het is nu drie jaar dat het slachtofferdenken Nederland in zijn greep heeft en de gevolgen zijn ronduit rampzalig. Op de eerste plaats voor de politiek zelf. Debatteren is voor veel politici een wedstrijdje spugen in de bron waaruit zij drinken geworden. De politiek is daardoor van niemand meer en het is alleen al om die reden geen wonder dat uit opinieonderzoek blijkt dat juist de laatste drie jaar het vertrouwen in ‘Den Haag' daalt. Minstens zo fnuikend zijn de gevolgen voor de rest van de samenleving. De hele discussie over de toekomst van Europa is na het referendum en na het echec van de laatste Europese top in Luxemburg met een harde klap tot stilstand gekomen. Enig perspectief op meer democratie, effectievere besluitvorming, een socialer beleid en een betere aanpak van de economische malaise vanuit Brussel is er niet. Nederland is niet in staat tot enig initiatief om uit de impasse te komen. Het kabinet beperkt zich nog slechts tot de boodschap dat ‘we' minder willen betalen. De balans van drie jaar slachtofferdenken in het minderhedendebat is nog triester. De aanslagen in New York, Madrid en Londen zetten overal de verhoudingen op scherp. Maar nergens was de polarisatie zo sterk als in Nederland. De harde toon ten opzichte van de islam leidt tot het tegendeel van integratie. Bijna dagelijks staan er berichten in de krant over een toenemende escalatie: over intimidatie van niet-islamistische leerlingen in de grote steden, over brandstichtingen in moskeeën en islamitische scholen, over hatemail, bedreigingen en vechtpartijen.

Het is moeilijk om uit een slachtofferrol los te komen, zo zeggen de mensen die met de vinger naar de onderklasse wijzen. Het enige dat helpt, is een schop onder de kont. Geldt dat ook voor de slachtofferpolitici en hun geestverwanten? Gaan ze, ook al zitten ze zelf in het centrum van de macht, door met de schuld leggen bij de politici van vroeger? Blijven de mannen en vrouwen die overal het hoogste woord voeren de beschuldigende vinger wijzen naar de politiek-correcten? In dat geval kunnen we alleen hopen op een nieuwe generatie politici en spraakmakers die wel in staat is het slachtofferschap van zich af te schudden.

Het tijdens transport beschadigde standbeeld van Pim Fortuyn in Rotterdam
arie kievit/HH
Robin UtrechtFotograaf/anp
roger dohmen / anp

Copyright © 2005 Weekbladpers Tijdschriften (Ja)

 

 

Volkskrant,21-06-2010

Tijd rijp voor extraparlementair kabinet

Een kabinet zonder dwingend regeerakkoord en met ministers die er  op persoonlijke titel zitting in nemen. Zo komen we pas uit de  politieke impasse. 

Als er een ding opvalt aan deze formatie is dat de politici aan de ene kant erkennen dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie, maar anderzijds lijken vast te klampen aan de oude Haagse gewoonten.

De inzet is, als altijd, een regering die geketend is aan enkele partijen die samen  een parlementaire meerderheid vormen.

Een stevig regeerakkoord moet ertoe leiden  dat de coalitie  niet voortijdig uit elkaar spat. De berekeningen van het CPB moeten bepalen binnen welke financiële marges de regering dient te opereren.

Liefst nog deze zomer moeten die per decreet worden vastgelegd.

Maar waarom zouden we onder de huidige unieke politieke omstandigheden niet eens van de huidige gewoonten afwijken en een extraparlementair kabinet beproeven? 

Een kabinet dus zonder dwingend regeerakkoord waaraan de bewindslieden en de aangesloten fracties zich hebben gebonden.

Een kabinet waarin de ministers weliswaar uit verschillende politieke partijen komen, maar toch op persoonlijke titel worden aangezocht. 
 

Den Uyl

In de afgelopen decennia hebben we een keer eerder zo’n regering gehad: het kabinet-Den Uyl. Dat was toen het gevolg van de politieke situatie in 1973, die in nogal wat opzichten leek op die van nu.

Ook toen was het politieke landschap versplinterd en hadden de potentiële regeringspartijen (toen de linkse)  normaal formeren onmogelijk gemaakt door standpunten als ‘ononderhandelbaar’ te bestempelen.

En ook toen waren sommige partijen (de christendemocratische!) niet te vermurwen deel te nemen aan het kabinet. Uiteindelijk wist de informateur in te breken door prominenten uit die partijen te bewegen toch in dat kabinet zitting te nemen.


Net als in de jaren zeventig zou de vorming van  een extraparlementair kabinet een manier zijn om uit de huidige politieke impasse te komen. Het begin van de onderhandelingen wekt immers weinig vertrouwen in de goede afloop. 

Op zijn best leiden die tot een regering waarin de leden zich tot elkaar veroordeeld worden. De kans is  groot dat die zal steunen op een minimale meerderheid (als voor een rechtse coalitie of Paars plus wordt gekozen).

Bovendien zijn er weinig opties denkbaar die ook kunnen steunen op een meerderheid in de Eerste Kamer (eigenlijk alleen een CDA-VVD-PvdA-kabinet).


Illussoir
Nu zou je kunnen hopen dat dit volgend jaar na de provinciale verkiezingen verandert (de leden van de staten kiezen de Eerste Kamer), maar het lijkt me eerlijk gezegd nogal illusoir om te denken dat de electorale verhoudingen dan hetzelfde zijn als ze vorige week waren.

De snelle veranderingen in de politieke voorkeuren van de afgelopen tien jaar geven daar in elk geval  geen aanleiding toe.

De uitslag biedt een kans af te wijken van normale gang van zaken

De vorming van een extraparlementair kabinet zou veel meer kunnen zijn dan een tactische manoeuvre om de politieke complicaties bij de vorming van een ‘normaal’ kabinet te omzeilen.

Het zou ook inhoudelijk de voorkeur moeten hebben. In die zin biedt de uitslag van de verkiezingen vooral een kans.

Op de eerste plaats zou het goed zijn voor de positie van de Tweede Kamer. Al decennia klinkt het uit de bankjes weemoedig dat er meer ruimte zou moeten zijn voor dualisme.

Dat de Tweede Kamer dus een sterkere zelfstandige positie moet hebben ten opzichte van de regering. Ondanks alle goede voornemens komt het er nauwelijks van. Het regeerakkoord en de financiële dictaten waarop die zijn gebaseerd beperken de speelruimte. 

Ook  de kwesties die niet in het regeerakkoord zijn geregeld worden buiten het parlement om geregeld (de Torentjesoverleggen tussen de fractievoorzitters en de top van het kabinet).  Dat alles heeft de positie van de volksvertegenwoordiging uitgehold.

Kans

Op de tweede plaats biedt het ook een uitgelezen kans voor het kabinet zelf. Vanzelfsprekend zouden bij de vorming van zo’n kabinet de informateurs (Ben Verwaayen en Wim Kok?)  een sterke positie moeten hebben, ten koste van de fractievoorzitters.

Op die manier kan een einde komen aan de matige rekrutering van het kabinet waarbij altijd  overwegingen zoals loyaliteit, beloning voor bewezen diensten, bloedgroepen, of verdeling over sekse, vaak belangrijker zijn dan kwaliteit.

Bovendien kan een sterk informateursduo meer aandacht besteden aan het vormen van een team. Nu komt het voor dat de minister van justitie pas bij het laatste gesprek hoort wie de minister van binnenlandse zaken wordt .

Daarnaast  kunnen de formateurs ook stappen maken in de richting van een kernkabinet. De meeste partijen willen ministeries samenvoegen, het kabinet verkleinen en de besluitvorming stroomlijnen.

Maar tot nu toe strandde dit in het overleg van de fractievoorzitters. Minder ministers betekent immers dat er minder posten te verdelen zijn.


Speelruimte
Op de derde plaats heeft een extraparlementair kabinet ook inhoudelijk meer speelruimte. Daar is deze keer alle reden toe. Want als de huidige economische situatie zich door iets kenmerkt, dan is het onvoorspelbaarheid.

Bekijk voor de grap eens de prognoses van de afgelopen jaren.  Het is onder die omstandigheden onzinnig om het CPB de financiële ruimte te laten bepalen voor de komende vier jaar.

Dat maakte het bij de afgelopen verkiezingen al zo penibel uitspraken te doen over koopkracht, huizenprijzen of werkgelegenheid.


Tot slot is een extraparlementair kabinet de beste  vertaling van de uitslag van de kiezer.  Vooraf hebben PvdA VVD en CDA net gedaan of het vooral een strijd was om wie de regering mocht vormen en dus de premier mocht leveren. De grote meerderheid van de kiezers heeft dit spel niet meegespeeld. 
  Tijd dus voor een heel ander spel.

 

Michiel Zonneveld is publicist

Biografie

Naamloos natrappen
door Michiel Zonneveld

160 anonieme bronnen lopen leeg

'Job Cohen wil onze premier worden,' zo begint Job Cohen. Burgemeester van Nederland, 'Maar wie is hij? En hoe gaat hij te werk?' De twee auteurs van het boek lijken als weinig anderen in staat te zijn op die vragen een antwoord te geven. Marcel Wiegman is chef-verslaggeving van Het Parool en schreef daarin van 2001 tot 2007 scherpe stukken over de Amsterdamse politiek. Zijn collega Hugo Logtenberg onderscheidde zich bij NOVA en het weekblad Intermediair als een van de meest gedegen politieke researchjournalisten. Bovendien was hij voor die tijd werkzaam voor de landelijke VVD-fractie, en publiceerde hij ooit een opiniestuk dat hij samen had geschreven met toenmalig VVD-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali, een van de grote critici van Cohen. Een hagiografie is het zeker niet geworden. De auteurs staan uitgebreid stil bij de momenten waarop Cohen moeite had zijn faam als bruggenbouwer waar te maken. Afgelopen weken trok het boek vooral de aandacht met de onthullingen over de slechte relatie die Cohen had met 'zijn' korpschef Bernard Welten. Maar uit het boek blijkt ook dat Cohen het erg moeilijk had in het college met de dominante wethouders Rob Oudkerk (PvdA) en Geert Dales (VVD). Pas nadat zij vertrokken waren, begon zijn ster als burgemeester te stralen.

Het beeld van de altijd zo aimabele Job Cohen wordt eveneens flink gerelativeerd. In de omgang was de burgemeester in de eerste plaats zakelijk, soms op het kille af. En toen PvdA-wethouders als Rob Oudkerk en Hennah Buyne het moeilijk kregen, liet Cohen hen volgens de auteurs keihard vallen. Regelmatig klinkt de klacht van de slachtoffers dat ze zich niet gesteund voelden.

Verder wordt in het boek wel duidelijk wat de kracht en de zwakte van de methode-Cohen is. De burgemeester van Amsterdam was niet iemand die snel geneigd was initiatief te nemen. Hij was een bestuurder die eerst keek hoe de hazen liepen en dan pas actie ondernam, en vaak meer geïnteresseerd was in het proces dan in de inhoud.

Lastig blijft dat dit boek gebaseerd is op honderdzestig anonieme interviews. In het boek staat immers dat de Amsterdamse politiek 'een slangenkuil' is; om dan mensen de gelegenheid te geven anoniem leeg te lopen, is vragen om moeilijkheden. Het gaat bijvoorbeeld mis als de auteurs beschrijven wat er gebeurde nadat een agent op het Mercatorplein een Marokkaan doodschoot die hem met een mes had bedreigd. Cohen zou na het incident wel de familie van de Marokkaan hebben gecondoleerd, maar verzuimd hebben de agent te bezoeken. Het boek: 'Tot de dag van vandaag leidt de herinnering daaraan bij de Amsterdamse politie tot grote woede.' Maar voormalig commissaris Van Riessen zei in een reactie dat de burgemeester de agent wel degelijk had bezocht. Hij was er zelf bij geweest.

Het gebruik van anonieme bronnen loopt bovendien soms over in persoonlijke interpretaties van de werkelijkheid. In een passage beschrijven de auteurs hoe toenmalig PvdA-voorzitter Felix Rottenberg in 1994 Cohen een hoge plaats op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer aanbood. Rottenberg zou 'gecharmeerd zijn van zijn kwaliteiten'. En, zo voegen de auteurs eraan toe, 'ook is er, al blijft dat onbesproken, de herkenning van een gedeelde joodse afkomst.' Een curieuze vaststelling. Hadden joodse kandidaten een streepje voor bij Rottenberg? Dat kunnen ze toch niet bedoelen? En vooral wil ik dan weten hoe de auteurs toch ter ore is gekomen wat onbesproken bleef.

 

 

Info
Hugo Logtenberg & Marcel Wiegman
Job Cohen. Burgemeester van Nederland
Nieuw Amsterdam 288 p., € 17,95
Credits

Copyright © 2010 Weekbladpers Tijdschriften (Ja)

 

 

 

WAD? Weekbladpers Artikelen Digitaal

Datum: 27-02-2010
Pagina: 056_1

Rubriek: BOEKEN

Auteur: ZONNEVELD, M. (MICHIEL)

Soort artikel: Recensie

Non-fictie / Lijsttrekkerboeken

Gut, weer een politicus
door Michiel Zonneveld

Het boek als campagnewapen heeft zijn langste tijd gehad. Dat blijkt wel uit ‘De ontsluierde stad’ van PvdA’er Lodewijk Asscher.

Er beviel me iets niet aan het boek. Het lukte me niet meteen te vatten wat het precies was met De ontsluierde stad. Het was met het boek van PvdA-wethouder Lodewijk Asscher als het gevoel dat je met een zonet aangeschafte auto kan hebben. Die ziet er van buiten goed uit. Technisch gezien werkt-ie prima. Niks mis met de stoelen. Geen goede reden dus om hem terug naar de garage te brengen. En toch heb je bij het rijden steeds het gevoel dat er iets niet helemaal klopt.

Aan de titel kon het niet liggen in elk geval. Goed, je bespeurt er wat Bolkesteiniaans en Fortuyniaans erfgoed in. Aan de andere kant vond ik het wel poëtisch klinken.Hij dekt bovendien de lading. De auteur wil ontsluieren wat er in de stad gebeurt en laten zien wat hij in de stad doet. Bovendien speelt de integratie in zijn werk een belangrijke rol.

Het had natuurlijk met de persoon van de auteur te maken kunnen hebben. Maar de lijstaanvoerder van de Amsterdamse PvdA lijkt me een sympathieke politicus. Iemand die op mij altijd aardig en fatsoenlijk overkomt en de indruk wekt dat hij zich altijd oprecht stort op de kwesties waar hij mee te maken heeft. Het is het soort kandidaat waar je zo maar op zou kunnen stemmen en dan maakt het niet eens zo veel uit voor welke partij hij op de lijst staat.

Asscher is verder een politicus die bij mij in elk geval enige nieuwsgierigheid opwekt. Hij geldt als een van de grote talenten. Nu al onomstreden als wethouder. Een man die er blijk van geeft iets te willen. Hij zegt geen carrière in de landelijke politiek te ambiëren. Maar hij is pas vijfendertig en het is onwaarschijnlijk dat hij niet ooit de sprong uit Amsterdam gaat maken. Zoveel rijzende sterren heeft zijn partij nu ook weer niet.

Bijna-chantage

Het boek is niet eens erg beroerd geschreven. Dat is altijd iets waarvoor je bevreesd bent na lezing van de boeken die lijsttrekkers in het recente verleden hebben geschreven. Soms zijn ze niet meer dan een verzameling slecht geschreven opstellen en onbeholpen toespraken, voorzien van een inleiding en een kaftje. Vaak word je getroffen door een allerberoerdst proza. Een dieptepunt is het boek Aan de kiezer (2006) van Jan Peter Balkenende, waarin hij zogenaamd allerlei bekende en minder bekende Nederlanders een brief schrijft ('Geachte Heer Taheri, Hartelijk dank voor de heerlijke vis die ik van u kreeg tijdens mijn laatste bezoek aan uw vishandel...').

Ik zal ook niet durven beweren dat De ontsluierde stad mooi is geschreven. Het staat vol met van die staccatozinnen van een tot drie woorden, zoals in een powerpointpresentatie. Maar de stijl is redelijk functioneel. Je kunt als lezer vallen over de nadrukkelijke ik-vorm. Het veel van: ik doe dat voor 'mijn Amsterdamse kinderen'. Daar kun je weer tegenover stellen dat je door de vorm wel wordt meegenomen.

Inhoudelijk behoort het zelfs tot de betere in zijn soort. Wie denkt dat gemeentepolitiek per definitie saai is, zou dit boek moeten lezen. De auteur laat zien dat er fascinerende gevechten worden uitgevochten. Asscher beschrijft hoe hij probeert foute ondernemers en criminele pooiers van de wallen te jagen. Hij is redelijk eerlijk over de dilemma's, zoals dat je soms voor veel geld onroerend goed moet overnemen van onderwereldfiguren. Ronduit spannend is het om nog eens terug te lezen hoe hij als jonge wethouder onder druk werd gezet toen het stadsbestuur de privatisering van de luchthaven wilde terugdraaien. De charmante bijna-chantage van minister van Financiën Zalm, die suggereerde dat als Amsterdam niet meewerkte dit financiële repercussies kon hebben. De intimiderende taal van topmannen uit het bedrijfsleven.

Niet minder spannend is de strijd die hij moet voeren met de besturen van slecht presterende scholen. De onwil die er regelmatig is om ook maar iets van de eigen autonomie in te leveren. Leerzaam is het te lezen hoe moeilijk het is om beweging te krijgen in de jeugdzorg. Hoe gemeentelijke en zelfstandige organisaties elkaar in de weg kunnen zitten bij het oplossen van problemen. En dat bij de inburgeringcursussen een vanuit Den Haag opgelegde privatisering ertoe leidde dat vele miljoenen in een groot zwart gat verdwenen.

Tot slot zou ik kunnen wijzen op een allerakeligste uitglijder. In het hoofdstuk over Schiphol blijkt een passage van een NRC-columnist letterlijk te zijn overgeschreven. Dat is inderdaad op zijn minst slordig te noemen. Maar dat is de kern van de zaak toch niet. Net zomin als je een Toyota afschrijft omdat het design van de bumper gejat is van Renault.

Wat dan wel?

Ed van Thijn

Op zoek naar het antwoord op die vraag moet je eerst vaststellen wat een politiek boek goed of in elk geval van betekenis maakt. In dat opzicht zou je twee genres kunnen onderscheiden. In het eerste genre doet een politicus verslag van wat hem is overkomen. Het allermooiste is wanneer dit op de huid geschreven is. Wanneer je als lezer de gelegenheid krijgt mee te denken en mee te voelen. Je ziet dan hoe van dag tot dag de politiek gemaakt wordt. De absolute klassieker is wat dat betreft nog altijd Dagboek van een onderhandelaar, het boek waarin Ed Van Thijn, destijds fractievoorzitter van de PvdA, de in 1977 mislukte formatie van een tweede kabinet-Den Uyl beschrijft.

Het andere genre is meer essayistisch van aard. Met boeken waarin een politicus probeert onderwerpen te exploreren en op de agenda te zetten. Er zijn veel politici die hebben geprobeerd om zo'n boek te schrijven. Het meest sprekende voorbeeld is Frits Bolkestein. De voormalige VVD-leider schreef over veel verschillende onderwerpen. De meeste invloed had hij daarbij met de manier waarop hij het integratievraagstuk aan de orde stelde. Dat deed hij onder andere in boeken als Moslim in de polder en Islam en democratie.

Je zou het haast vergeten, maar tot in de jaren negentig was het een links thema. Sprak je over integratie, dan ging het over antidiscriminatie, tolerantie, plannen om allochtonen aan het werk te helpen en het bestrijden van ongelijkheid. Sinds Bolkestein het onderwerp wist te kapen, gaat het integratiedebat om criminaliteit, het gevaar van de islam en het doodknuffelen van allochtonen.

Maar een goed boek schrijf je nu eenmaal niet zo maar eventjes. Een belangrijke voorwaarde is dat een politicus er de tijd voor neemt, zichzelf dus vrijmaakt. Een andere is dat de auteur in een grote mate van vrijheid kan schrijven. Bij een reconstructie mag er niet te veel worden toegedekt. Bij het schrijven van boeken en essays moet je gedachten en ideeën kunnen uitproberen, het woord zegt het al. Dat vereist een autonome positie en geest.

Het probleem van het lijsttrekkerboek is dat aan die voorwaarden haast niet voldaan kan worden. Vrijwel alle boeken geven er blijk van in grote haast te zijn geschreven. Druk zijn politici toch al en de ruimte zich van de dagelijkse politieke beslommeringen los te maken, is er in de aanloop naar de verkiezingen al helemaal niet. Ze hebben daarom vrijwel altijd hulp nodig van tekstschrijvers. Daar is niet zo heel veel op tegen (zolang hij of zij daar eerlijk over is), maar een vereiste blijft wel dat het boek tijd en aandacht van de officiële auteur krijgt.

Van de gewenste autonomie blijft in campagnetijd evenmin weinig over. Een lijsttrekker zal dan niet snel iets zeggen dat de kiezer wegjaagt. Hij of zij wil misschien best toegeven dat ze twijfelen en fouten maken, zolang het niet tot de indruk kan leiden dat er iets ontbreekt aan het oordeelsvermogen van de politicus. Kritiek op de eigen partij mag, maar uiteindelijk is het wel de bedoeling dat we hem of haar vertrouwen en dus onze stem toevertrouwen. Zelfs hoogstpersoonlijke anekdoten worden slechts opgedist als ze passen in het grote politieke belang. Of de strekking wordt zo aangepast dat ze er in passen en in elk geval geen electorale schade berokkenen.

Dezelfde soort beperking geldt voor de onderwerpen die in de boeken worden aangesneden. In de periode dat het boek verschijnt, komen partijen met hun verkiezingsprogramma's en het is niet de bedoeling dat de verschillen te veel in het oog lopen. In dit verband spreek ik uit eigen ervaring, want ik werkte met Femke Halsema aan het boek Linkse lente. De basis voor het boek waren lange interviews. Vanaf het moment dat het partijproces van programma's schrijven begon, merkte ik dat ze in haar antwoorden bewust en onbewust minder vrij werd.

Media-event

De boeken zijn, kortom, in de eerste plaats bedoeld als campagne-instrumenten. Niet eens zozeer omdat politici denken dat ze de lezer ermee overtuigen, maar omdat ze het kunnen gebruiken als een media-event, een gelegenheid om in de campagne aandacht te krijgen of vast te houden. Ze vormen de basis voor interviews met journalisten die de boeken in de meeste gevallen niet of maar half hebben gelezen.

In de beperking van het genre van het lijsttrekkerboek zit ook meteen het kernprobleem van het boek van Asscher. Je kan niet eens zeggen dat hij alleen maar een glad verhaal schreef. 'Natuurlijk schaam ik me ook wel eens voor mijn partij,' schrijft Asscher zelfs. 'Voor de mensen, voor het beleid, voor de schandalen.' En af en toe geeft hij ook toe naïef te zijn geweest, of fouten te hebben gemaakt, bijvoorbeeld bij het zoeken van een opvolger van wethouder Ahmed Aboutaleb, toen die staatssecretaris werd (wat leidde tot een kort en ongelukkig wethouderschap van Hennah Buyne). Maar elke keer blijft hij binnen een veilige zone. Natuurlijk doet hij dat. Volgende week zijn er verkiezingen!

Het gevolg is een boek dat voor de lezer nog niet af is. Asscher schrijft in zijn inleiding te willen vertellen over zijn werk voor de stad Amsterdam. Bovendien voelt de wethouder de behoefte verantwoording af te leggen voor de keuzen die hij maakt en gemaakt heeft. Hij zegt te hopen dat het uiteindelijk zal leiden tot een gesprek aan de keukentafel. Vervolgens lees je in het boek geen letter terug over de kwestie waar veel Amsterdammers het aan de keukentafel over hebben: de gigantische problemen met de aanleg van de Noord-Zuidlijn. Wat is dat nou voor verantwoording?

Je ziet in het boek wel aanzetten tot een visie. Asscher keert zich tegen een cultuur van vrijblijvendheid. Hij is bepaald geen voorstander van de terugtredende overheid. Hij heeft twijfels over marktwerking. Maar het verhaal is nooit af en uiteindelijk voel je je als een kind dat een snoepje voorgehouden wordt en het niet krijgt. Tekenend is een passage waarin hij 'Den Haag' oproept 'nu eens echt ambitieuze onderwijsambities te formuleren'. Over welke dat dan moeten zijn, lees je niets.

De conclusie lijkt me dat het lijsttrekkerboek als genre zichzelf onderhand heeft overleefd. In alle gevallen geldt tenminste dat het genre werken heeft opgeleverd die niet zo goed zijn als had gekund. Echte boeken willen we weer, waaraan door de politicus lang en hard is gewerkt. Nooit meer hele of halve vluggertjes in verkiezingstijd. Ik zou er aan toe willen voegen dat het zelfs als campagnewapen aan kracht verliest. Het adagium van een goede campagne is dat je om te verrassen steeds iets nieuws moet verzinnen. Ooit was het een geweldige vondst om een lijsttrekker met de bus door het land te laten trekken, maar als iedereen het doet, wordt het tijd om snel uit te stappen. In 2006 reageerden al veel mensen met een vermoeid: 'Gut, alweer een politicus met een boek.' De toekomst is misschien aan een documentaire of een speelfilm. Rita Verdonk doet in elk geval mee aan een musical.

 

Chaos door rookverbod? Onzin!

rookverbod 16-03-2009

Amsterdam zou door het rookverbod in de horeca gebukt gaan onder chaos, opstootjes en erop los smirtende cafébezoekers op straat.




onzin

'Het rookverbod in Amsterdam heeft in het centrum tot een enorme stijging van de overlast geleid.'

Meeschrijven met de goede zaak, wat is daar eigenlijk tegen? De tijd waarin sommige journalisten schouder aan schouder stonden met de kraakbeweging, anti-kernenergiebeweging en de vredesbeweging is voorbij. Maar als reporter heb je natuurlijk wel een hart. Dus het is goed dat een krant als Het Parool zich het lot van de Amsterdamse horeca aantrekt, gebukt als die gaat onder crisis, rookverbod en strenge regels die nog worden gehandhaafd ook.


Op dinsdag 10 maart zagen we in de Amsterdamse krant een mooi staaltje van wat de moderne actiejournalistiek vermag. Het Parool kopte in haar gedrukte editie: 'Rookverbod leidt tot ruzies en rotzooi op de stoep'. Het artikel levert volop munitie aan al die horecaondernemers die tegen minister Klink van Volksgezondheid strijden.

Volgens Het Parool heeft het rookverbod tot een 'enorme' stijging van de overlast geleid van cafébezoekers die buiten hun sigaretten roken. In het artikel wordt gerept van een 'chaos op straat', 'opstootjes met rokende cafébezoekers' en 'ruzies met portiers'.

Een deel van de oorzaak zou, volgens verder niet bij naam genoemde 'ambtenaren', het gevolg zijn van 'smirten': mensen die tijdens het roken flirten en daardoor extra lang op straat staan. Er is overigens wel een klein verschil tussen de gedrukte editie van Het Parool en de digitale. In de krant is het woord 'enorme' geschrapt, maar een 'chaos' blijft het in beide verhalen.


Bij het lezen van de feiten die de basis van het bericht vormen, bekroop ons meteen een gevoel van argwaan. De bron blijkt een rapport van het stadsdeel Centrum waarin staat dat er vorig jaar sinds de invoering van het rookverbod sprake was van 121 klachten over 'terraslawaai' en 'roken op straat'. Maar is dat nu zo veel? In het bericht staat dat er in het centrum 1650 horecagelegenheden zijn (waarvan volgens gegevens van het stadsdeel 900 een terrasvergunning hebben). Dat betekent dus dat in de periode van 1 juli (toen het rookverbod inging) tot 31 december 2008 gemiddeld sprake was van minder dan één klacht per tien horecagelegenheden.

De begeleidende foto die Het Parool op haar interneteditie plaatst, helpt niet de geloofwaardigheid van het verhaal te vergroten. Daarop zie je een vijftal doodkalme jongeren naast elkaar op een bankje voor een horecagelegenheid zitten. Typische voorbeelden van rokers die geen onruststokers zijn.

Begrippen als 'veel', en ‘enorm' blijven natuurlijk subjectief. Maar wij zouden geneigd zijn te denken dat het aantal klachten enorm laag is. Vooral als je bedenkt dat er in de binnenstad genoeg mensen zijn om te klagen en over te klagen. In het centrum van Amsterdam wonen rond de 80.000 mensen op minder dan 8 vierkante kilometer oppervlakte, en dan laten we de stromen toeristen nog even buiten beschouwing. En zijn Amsterdammers volgens de rest van Nederland niet overassertief?

Bovendien is het niet zeker of alle klachten het gevolg zijn van het rookverbod.
In het rapport (met als titel: Invoering rookverbod in de horeca) staat bijvoorbeeld niet dat het 'terraslawaai' alleen wordt veroorzaakt door de rokers. Wel staat er dat de meeste klachten in september werden geregistreerd, toen het mooi weer was, en dus ook veel niet-rokers zich op de terrassen ophielden. In de maanden daarna zakte het aantal klachten aanzienlijk.

De stelling dat er sprake is van een 'stijging' door het rookverbod kan verder alleen maar worden waargemaakt als we die vergelijken met de cijfers van de jaren daarvoor. Helaas was dit de eerste keer dat het stadsdeel dit onderzoek liet uitvoeren. Wat wel helemaal klopt is dat er sinds het rookverbod op en rond de terrassen veel sigarettenpeuken liggen.

Over de in het bericht genoemde opstootjes en ruzies met portiers is niets te vinden in het rapport. 
De vraag die ons nog bleef intrigeren was hoe dat nu zat met die ruzies over het smirten. De anonieme bron van Het Parool is snel gevonden: Ton Boon, woordvoerder van het stadsdeelcentrum. 'Ik heb juist gezegd dat het smirten een positief gevolg kan zijn van het rookverbod. Maar de journalist van Het Parool redeneerde net de andere kant op.'


Tekst Pieter van den Blink, Pieter Hilhorst en Michiel Zonneveld

onzin

Eerste aflevering in Intermediair

26-02-2009

Kanker slechts chronische ziekte: Onzin!

'De verwachting is dat kanker binnen enkele jaren een chronische ziekte zal zijn?'


Het leek te mooi om waar te zijn, en waar was het dan ook niet. Op 3 februari stond nog in de kranten dat kanker tegenwoordig de meest voorkomende doodsoorzaak was. Een dag later, op wereldkankerdag, berichtte het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP) dat diezelfde kwaal over een aantal jaren slechts een chronische ziekte zal zijn. Enkele kranten namen het bericht over. ‘Dit betekent', zo voegde de verslaggever van het ANP er ten overvloede aan toe, ‘dat mensen er niet meer aan zullen doodgaan.' Het leek het alsof het eeuwige leven zich aandiende.

Pieter van den Blink
Pieter Hilhorst
Michiel Zonneveld

Vanaf nu gaan we elke week een voorbeeld behandelen van nonsens in de media, of in elk geval van discutabele claims. En we hopen dat u ons gaat helpen zoeken naar berichten en uitspraken die te mooi, of te onwaarschijnlijk, zijn om waar te zijn. In dit geval hoefden we overigens niet meer te doen dan het persbericht op te vragen van KWF Kankerbestrijding op basis waarvan het bericht is geschreven. Daarin staat geen letter over het verdwijnen van de kanker. Jammer,dat moet ook het ANP hebben gevonden die de fout in het bericht nimmer rectificeerde

Een even opwindend bericht was dat over de vermeende CO2-uitstoot van de zoekmachine Google. Twee zoekinstructies zouden voor net zo veel uistoot zorgen als het koken van een pannetje water. Het NRC Handelsblad van 12 januari en een aantal nieuwssites wisten wel raad met dit nieuws. De site van De Telegraaf legde een koppeling met het klimaatprobleem. ‘Nooit meer schaatsen door Google!' Op de weblog van vierdejaarsstudenten van de Fontys Hogeschool Journalistiek in Tilburg  is al korte metten met het bericht gemaakt. Het bericht bleek het gevolg van twee journalisten van The Sunday Times die er naar aanleiding van een Harvard-onderzoek flink op los hadden geïnterpreteerd.

Goede jagers gaan op zoek naar de plaatsen waar en de tijdstippen waarop ze het wild kunnen aantreffen. Als onzinjagers gaan wij hetzelfde doen.

Zo letten wij vooral op berichten waarin mensen feiten presenteren waar ze belang bij hebben. Als we lezen dat de vliegtaks banen op Schiphol kost, zijn we dus op ons hoede. Is het waar? Of is het nieuws in de wereld gebracht als onderdeel van een lobby van de luchtvaartsector? Met een zelfde argwaan zouden we Ivo Opstelten hebben benaderd toen hij bij zijn afscheid als burgemeester van Rotterdam beweerde dat de havenstad sinds zijn aantreden veiliger is geworden. Is dat echt zo? (De criminaliteit nam af: dat is echter niet hetzelfde als veiliger.) En in hoeverre kan hij de claimen dat zijn aanwezigheid daar iets mee te maken heeft? (Ook in andere steden daalde in die periode de criminaliteit.)

Een ander moment van argwaan is wanneer de journalist zijn verhaal baseert op één enkele bron, zoals bij het bericht over Google. Of als berichten naadloos aansluiten bij een heersende trend. Die worden vaak net iets te achteloos in de krant gekwakt. Een mooi voorbeeld was een onder andere door de Volkskrant overgenomen ANP-bericht van 24 november vorig jaar waarin stond dat een meerderheid van ex-rokers het sinds het rookverbod ongezelliger vond in het café. Het paste in een nieuwsstroom over toenemend verzet tegen het beleid van minister Klink. Maar verwonderlijk vonden we het wel, want alle ex-rokers in onze vriendenkring zijn fanatieke antirokers. Het bleek uiteindelijk om een onderzoek te gaan dat nauwelijks representatief was en waarin niet de ex-rokers, maar de niet-rokers waren ondervraagd. Slechts 35 procent van die groep vond het ongezelliger in het café. 45 Procent juist gezelliger.

Nogmaals: we hebben uw hulp nodig. Zonder de opmerkzaamheid en kennis van de lezer zijn we niets. Wordt wakker als u weer eens een bericht leest over de (on)deugdelijkheid van crèches, sinaasappels die kankerverwekkend zijn, of bestuurders die op dubieuze gronden succes claimen. Meld het ons en dan onderzoeken wij de bron. De aanval op de onzin is geopend!

De loopbaan van Alexander Rinnooy Kan

'Ik ben een zondagskind'

  Alexander Rinnooy Kan Intermediair, 02-03-2009  

Alexander Rinnooy Kan (59) is voorzitter van de Sociaal-Economische Raad. Hij werd in 2008 uitgeroepen tot de ‘invloedrijkste Nederlander'.





Wie: Dr. A.H.G. Rinnooy Kan
Geboren: Den Haag, 5 oktober 1949
Opleiding: Wiskunde en kandidaats econometrie (1972), promotie doctor in de wiskunde (1976)
Loopbaan: rector magnificus Erasmus Universiteit Rotterdam, voorzitter VNO-NCW, raad van bestuur ING, voorzitter Sociaal-Economische Raad



Wat heeft u 10.000 uur gedaan in uw leven?

'Dingen uitleggen. Het begon al toen ik acht jaar was. Ik hielp mijn broertje met zijn schoolwerk. Op mijn veertiende heb ik nog een schriftelijke cursus Engels voor hem geschreven. Eigenlijk ben ik mijn hele leven blijven uitleggen. Op de universiteit ben ik ook vrij snel een student-assistentschap gaan doen. Ook nu weer bestaat een groot deel van mijn werk uit uitleggen.'

Wat is de rode draad in uw loopbaan?

'Dat is moeilijk te zeggen omdat ik zoveel verschillende dingen heb gedaan. Ik was hoogleraar, rector magnificus, voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO, lid van de Raad van Bestuur van de ING en nu ben ik SER-voorzitter.

Ik zou ook niet veel mensen weten met een loopbaan zoals die van mij waarin heen en weer gependeld is tussen de publieke en private sector. Misschien is de rode draad een blijvende nieuwsgierigheid, waardoor ik steeds weer andere dingen oppak.'



Geen succes zonder mazzel. Wanneer heeft u mazzel gehad?

 

'Dat is het moment dat ik startte met mijn promotieonderzoek. Ik wilde verder in de zuivere wiskunde. Ik was al aangenomen. Maar de universiteit moest bezuinigen en dus werd er een algemene vacaturestop afgekondigd. Als ik een paar weken eerder was afgestudeerd, was ik aangesteld. Ik kon wel aan de slag in de bedrijfseconometrie. Dat was een vak in opkomst. Ik had het geluk dat ik tijdens mijn promotieonderzoek op een idee uit Amerika stuitte dat relatief nieuw was en waarover ik samen met mijn collega in korte tijd veel publiceerde. Ik werd zo relatief gemakkelijk hoogleraar.

Mijn loopbaan zou beslist anders zijn gelopen als ik in de zuivere wiskunde was gepromoveerd. Ik weet niet of ik daarin had uitgeblonken. Waarschijnlijk zou ik na mijn promotie op een middelbare school wiskundeles zijn gaan geven.

Ik denk dat ik ook geluk had toen ze me vroegen om voorzitter van het VNO te worden. Ik weet nog steeds niet precies waarom ze in mij als wetenschapper een goede werkgeversvoorzitter zagen. Het was wat je noemt een kredietbenoeming. Waarschijnlijk omdat ik namens de universiteit redelijk succesvol was geweest in het gevecht tegen onderwijsbezuinigingen.

Het was ook een goed moment om afscheid te nemen van de wetenschap. Er zijn weinig wiskundigen die na hun veertigste nog met revolutionair vernieuwende ideeën komen.'



Welke baan bent u misgelopen?

'Ik ben uiteindelijk geen bestuursvoorzitter van de ING geworden. Nee, dat beschouw ik niet als een mislukking. Het was een functie waarvoor ik niet geschikt was. Mijn voorgeschiedenis in de financiële sector was te kort. Daar had ik dus niet 10.000 uur in geoefend.'

In welke mate bent u een product van uw jeugd?

'Mijn vader was plaatsvervangend thesaurier-generaal bij het ministerie van Financiën. Dat is een hoge publieke functie. Maar ik lijk wat betreft persoonlijkheid het meest op mijn moeder. Zij was een Britse, en opgeleid als actrice. Zij was iemand die harmonie kon creëren. Heel anders dan mijn vader.

Ik ben ook iemand die altijd harmonie wil bevorderen. Het is een tweede natuur geworden. Daar pluk ik nu bij de SER de vruchten van. Maar toen ik voor ING in Azië zaken moest doen, had ik er ook baat bij.'



Welke ervaring heeft grote invloed gehad op uw levenshouding?

'In de eerste vier klassen van de middelbare school was ik een buitenbeentje. Een introvert, pienter jongetje dat de beste van de klas was, maar ook werd gepest. Ik ben toen drie maanden naar Engeland gestuurd door mijn ouders. Toen ik terugkwam wist ik een positie in de klas te veroveren en heb er vrienden voor het leven gemaakt. Sommige klasgenoten zie ik nog steeds.'



Waarvoor moeten ze u niet vragen?

'De neiging om harmonie te zoeken kan een handicap zijn. In elke grote organisatie zijn mensen nodig die rücksichtslos knopen moeten doorhakken. Ik heb nooit in posities gezeten waar ik enorme gevechten heb moeten voeren. De keren dat ze me vroegen minister te worden, is dat een overweging geweest die meehielp nee te zeggen.'



Is er wel eens iets echt mislukt?

'Mijn grote mislukking is dat ik met zwemmen nooit mijn diploma C heb gehaald. Bij het halen van je C moet je schijfjes opduiken. Maar ik durfde mijn ogen niet open te houden bij het zwemmen.

Nadat het de eerste keer niet was gelukt, heb ik lang geoefend. Dan stopte ik thuis mijn hoofd in de wasbak en probeerde uit alle macht mijn ogen open te houden. De laatste keer dat ik probeerde mijn diploma te halen, dacht ik er klaar voor te zijn. Ik sperde mijn ogen wel open, maar op de een of andere manier kon ik net niet bij de schijfjes. Maar verder ben ik een echt zondagskind.'

En door die angst voor water bent u zo'n fervent aanhanger van de polder geworden?

‘Dat is de ergste psychologie van de koude grond!'


tekst Pieter Hilhorst en Michiel Zonneveld

artikelen:

 

De loopbaan van
Bettine Vriesekoop: 'Ik had gewoon tafeltenniscoach moeten worden'


Auteur: Michiel Zonneveld |

Intermediair 20-10-2009 |

Journalist en schijfster Bettine Vriesekoop was tot voor kort correspondent voor NRC Handelsblad in China. De oud-toptafeltennisster werkt aan een boek over haar ervaringen in dat land. De werktitel is: Duizend dagen in China.

Bettine Vriesekoop

(Fotografie Natalia Toret)


Wie: Bettine Vriesekoop

Geboren: 13 augustus 1961
Opleiding: havo, vwo, MO Engels, Sinologie (twee jaar afgemaakt), Propedeuse Academie voor Natuurgeneeskunde
Loopbaan: Onder andere twee maal Europees Kampioen (1982 en 1992), twee maal winnaar top-12 toernooi (1982 en 1985), twee maal sportvrouw van het jaar (1981 en 1985) en tussen 1977 en 2002 (een comeback op veertigjarige leeftijd) vijftien keer Nederlands kampioen. Publiceerde drie boeken: Heimwee naar Peking (1994), Bij de Chinees (2006), en Het Jaar van de Rat (2008).

Wat heeft u 10.000 uur geoefend?


‘Tafeltennis natuurlijk. Ik trainde ongeveer 25 uur per week. Dus reken maar uit: dat is meer dan 100 uur per maand. Per jaar is dat 1.200 uur. Mijn loopbaan duurde bij elkaar 25 jaar. Dat is 30.000 uur. Ik oefende vooral op mijn backhandspin. De backhand was mijn sterke kant. Ik had er natuurlijk ook voor kunnen kiezen meer op mijn forehand te oefenen, want die was minder gevaarlijk. Maar het behoort tot mijn instelling in het leven uit te gaan van je sterke kant. Als je alles een beetje kunt, ben je middelmaat.

‘Met schrijven heb ik lang niet zoveel geoefend. Ik denk dat ik zelfs de 10.000 uur niet haal. Er zijn helaas niet zoveel overeenkomsten tussen het tafeltennis en mijn huidige werk. Hoewel, bij een wedstrijd had ik altijd een soort scenario in mijn hoofd. Dan bedacht ik wat ik moest doen om te kunnen winnen. Als het goed gaat, valt alles op zijn plek. Met schrijven doe je dat op een bepaalde manier ook. Dan denk je: hoe krijg ik dat nu in godsnaam op papier? Het is daarom ook een kwestie van zoeken en zoeken naar de manier waarop alles op z'n plek valt.'


Wat is uw sterke punt in uw huidige werk?


‘Ik denk dat ik het best ben in het beschrijvende. Verder vind ik het leuk om het menselijk gevoel over te brengen. Daarom doe ik graag interviews zodat je de mensen achter de onderwerpen kunt laten zien. Dat vonden de mensen ook het leukste aan mijn verhalen. Het maken van grote analyses is niet mijn sterke punt. Soms heb ik die wel geschreven hoor. Daar komt in China nog bij dat als er bijvoorbeeld een besluit wordt genomen, vaak heel moeilijk te achterhalen valt wat er achter de schermen echt wordt besloten, of echt gebeurt.'

Zou u iets kunnen doen waarvoor u geen talent heeft?


‘Nee. Ik moet in elk geval een beetje talent voor iets hebben. En het leuk vinden natuurlijk.'

Is er in uw loopbaan wel eens iets heel erg misgelopen?


‘Ik ben een keer door BNN gevraagd de Paralympics te verslaan. Dat was echt een miskleun. Het was al niet zo'n goed idee om bij je televisiedebuut meteen live te gaan presenteren. En dan was de casting ook nog erg ongelukkig. De jongen naast me was hyperactief en nam steeds het woord. Ik voelde me er op zijn zachts gezegd niet echt prettig bij. Dan leer je wel dat je de dingen moet doen die bij je passen.'

Welke mazzel heeft je het meest geholpen?


‘Het lastige van mijn verleden is dat ik me regelmatig afvraag: willen ze me hiervoor omdat ik in het verleden op zeer hoog niveau heb getafeltennist? Aan de andere kant was het ook wel mijn geluk tijdens mijn correspondentschap voor NRC Handelsblad in China. Het maakte het veel gemakkelijker om daar te werken. Topsporters hebben daar een grote status. Dat heeft te maken met de samenleving. Er is daar nu eenmaal veel corruptie. Mensen komen op posities omdat ze de juiste contacten hebben, of van alles onder de tafel regelen. Maar topsporters moeten zelf presteren. Dat vinden Chinezen een bewijs van eerlijkheid. Dus als ik zeg dat ik Europees kampioen ben geweest of die en die Chinese heb verslagen, denken mensen daar: die kan ik vertrouwen, want die heeft echt iets op eigen kracht gedaan.'

Welke grote tegenslag heeft u in uw loopbaan geholpen?


‘Toen mijn vader na een lange ziekte overleed was ik negen jaar oud. We trokken in die tijd uit onze boerderij en gingen in het dorp Hazerswoude wonen (Daarvoor woonde ze wel al in de gemeente; red.) Dat ik me daar aanmeldde bij tafeltennisvereniging Avanti heeft alles te maken met mijn thuissituatie. Ik was op zoek naar een plek waar ik me veilig kon voelen. Die club vormde een heel warme gemeenschap.'

Welk beroep bent u misgelopen?


‘Tafeltennistrainer. Of eigenlijk is dat mijn beste keuze geweest, want ik ben er wel voor gevraagd. Maar ik wilde gaan schrijven. Door naar China te gaan heb ik een streep onder mijn sportverleden gezet. Nu zou ik ook waarschijnlijk niet meer terug kunnen. Je wordt in Nederland nu eenmaal snel ingedeeld in een bepaald hokje. Ik hoor er niet meer bij.'

Op welke ouder lijkt u het meest?


‘Wat ik aan verhalen hoor lijk ik emotioneel en qua karakter meer op mijn vader, maar heb ik het doorzettingsvermogen van mijn moeder. Overigens weet ik eerlijk gezegd niet helemaal of ik dat doorzettingsvermogen heb gekregen omdat ik op hoog niveau heb gesport, of dat ik zo goed was in sport omdat ik doorzettingsvermogen had. Je moet dat vermogen door te zetten in elk geval wel verder ontwikkelen, het is geen aangeboren talent om tot het uiterste te gaan.'

Welk advies heeft u in de wind geslagen?


‘Ik weet zo snel geen persoonlijk advies. Maar als ik weer eens twijfelde of ik in mijn leven de juiste keuzes maakte moest ik vaak denken aan een kop die ik ooit in Sport International las boven een verhaal met Johan Cruijff: ‘Schoenmaker blijf bij je leest.' Dat was een advies dat hij van Anton Dreesmann van V&D had gekregen. Het was in de tijd dat Cruijff zijn geld had verloren met zijn zakenavonturen en daarom weer moest gaan voetballen. Hij had geloof ik veel geld gestopt in varkensboerderijen. O God, dacht ik dan: "Ik had gewoon tafeltenniscoach moeten worden." (Lachend:) Nu ik erover nadenk, was varkensboer misschien wel iets voor mij geweest. In elk geval was ik dan als boerendochter dicht bij mijn leest gebleven.'

Het beste advies dat ik ooit kreeg


‘Dat advies krijg ik bijna dagelijks van mijn vriend: om rekening te houden met mijn grenzen. Maar het dilemma is dat het grenzeloze meteen ook mijn sterke punt is. Als kind merkte ik al dat ik veel verder ging dan andere meisjes. Daarom kon ik zes uur per dag trainen en durfde ik van de ene naar de andere kant van de tafel te duiken.'

Read more: http://www.intermediair.nl/artikel/de-loopbaan-van/122462/bettine-vriesekoop-ik-had-gewoon-tafeltenniscoach-moeten-worden.html#ixzz0VECXSg0r

Maarten Ducrot: 'Gelukkig viel mijn studie tegen'

Maarten Ducrot Intermediair 30-06-2009

Ook voor oud-beroepsrenner Maarten Ducrot begint dit weekend weer de Tour de France. Sinds 2004 is hij wielercommentator bij de NOS.


Wie: Maarten Ducrot
Geboren: 8 april 1958
Opleiding: sociale psychologie en psychologie van de organisatie, Universiteit Utrecht
Loopbaan: in 1982 wereldkampioen 100 kilometer ploegentijdrit wielrennen. Van 1985 tot en met 1991 beroepsrenner. Won een etappe in de Tour
de France. Sinds 1992 organisatieadviseur en zelfstandig ondernemer.



Wat hebt u 10.000 uur gedaan in uw leven?

Maarten Ducrot

'Het wentelen van pedalen. Ik heb eindeloos geoefend om de juiste coup de pédale te ontwikkelen. Misschien is het voor een niet-fietser lastig uit te leggen wat dat is. Het komt erop neer dat je uitvindt hoe je je kracht en vermogen maximaal kunt benutten. Sommige fietsers kunnen heel zwaar rijden. Ik had juist met een lichte versnelling nodig om een maximaal vermogen te halen.

En ik heb denk ik ook wel 10.000 uur gitaar gespeeld. Dat is natuurlijk iets heel anders dan fietsen. Maar wat voor mij hetzelfde blijft, is dat oefenen heel belangrijk is. Als ik iets doe, wil ik voorbereid zijn. Dat is voor mij iets heel fysieks. Ik vind het heel belangrijk dat, als ik voor een bedrijf een training geef, ik niet als een papzak voor de groep sta. Het belang van voorbereiding is wat ik in mijn werk probeer over te brengen.

O ja, en dan is er nog iets. Commentaar leveren. Een inwendige stem levert al mijn hele leven commentaar op wat ik zelf doe en wat ik zie. Dat deed ik al als kind. Toen durfde ik alles niet hardop te zeggen. Ik was een heel verlegen ventje. Dan keek ik naar hoe het thuis ging, en zei in mezelf: "Wat gebeurt hier toch allemaal?"'



Wat is voor u de betekenis van succes?

'Het gaat er mij om het beste uit jezelf te halen. In het peloton zijn er ook renners die winnen door anderen te laten verliezen, dus beter te willen zijn dan een ander. Jan Raas kon dat als geen ander. Bernard Hinault ook. Dat werkt bij mij dus niet zo.'

Van welke fout hebt u geleerd? ‘Ik ben te veel geneigd mensen te vertrouwen tot het tegendeel bewezen is. Soms doe ik dat tegen beter weten in. Ik ben mezelf wat dat betreft tegengekomen toen ik in een maatschap zat. Mijn gevoel was dat het niet goed zat met een jongen met wie ik werkte. Toch ben ik anderhalf jaar met hem verder gegaan. Uiteindelijk heeft hij veel verprutst. De les die ik heb getrokken, is dat ik veel meer consequenties aan mijn gevoel moet geven.'

In welke mate bent u het product van uw jeugd?

‘Ik ben in mijn leven mijn eigen weg gegaan. Mijn ouders deden niet aan sport. Ze hadden verder helemaal niets met wielrennen. Ook in de keuze van mijn studie hebben mijn ouders geen rol gespeeld. Mijn vader was stuurman en later loods, om meer bij zijn familie te kunnen zijn. Mijn moeder werkte als verpleegster.

Wat betreft fysiek lijk ik het meest op mijn moeder. Het knappe van mijn moeder is altijd geweest dat ze in tijden van crisis het hoofd koel weet te houden. Je kunt haar geen natuurlijke leider noemen, maar in tijden van tegenslag nam ze het voortouw. Ik heb daar wel iets van. Als een situatie moeilijk wordt, of een crisis dreigt, ben ik heel alert. Als er in het peloton iets gebeurde, een valpartij bijvoorbeeld, dan begon het voor mij pas. Dan dacht ik meteen aan de volgende stap.

Maar als ik naar mijn karakter kijk, dan kom ik er eerlijk gezegd steeds meer achter dat ik meer op mijn vader lijk dan ik zou willen. Hij is een heel driftige, gepassioneerde man, dat ben ik uiteindelijk ook. Meer ingehouden dan hij is, maar toch niet wezenlijk anders. Allebei zijn we op een bepaalde manier egocentrisch. Dat moest ik als topsporter wel zijn, natuurlijk. Als wielrenner moet je alles opzij zetten. Harder fietsen dan goed voor je is. Als je net met vijftig in het uur bent gevallen, opstaan en weer doorfietsen. Het draait allemaal om jouw prestatie.

Ik heb altijd geldingsdrang gehad. Ik had, denk ik nu, zoals elke toppresteerder de behoefte me ten opzichte van mijn vader te bewijzen. Door hem erkend te worden. Mijn vader was op een andere manier egocentrischer dan ik. Hij wilde de beste vader van de wereld zijn. Maar het was iets van hemzelf. Ik had niet altijd het gevoel dat het om mij ging.'



Welke tegenslag heeft u succes gebracht?

Maarten Ducrot

'Mijn geluk is dat mijn studie tegenviel. Ik wilde eigenlijk diergeneeskunde studeren, maar werd uitgeloot. Daarom koos ik voor psychologie. Als achttienjarige kwam ik op de universiteit terecht in een gezelschap met veel herintredende 36-jarige vrouwen. Sommigen zaten te breien tijdens de colleges. De sfeer daar was niets voor mij. Ik wilde zo snel mogelijk wegwezen. In twee jaar tijd deed ik waar drieënhalf jaar voor stond. In die tijd ben met wielrennen begonnen.

Of ik als wielrenner last had van het feit dat ik academicus was? Je wordt al snel de professor genoemd. In de koers ontbrak het me nog wel eens aan leepheid. Als ik een fout maakte werd me ingewreven dat ik als academicus niet echt uitgekookt was. Maar last had ik er niet van. In zo'n peloton heerst een cultuur van elkaar afzeiken. Ze vinden dan altijd wel iets dat ze tegen je kunnen gebruiken.'

Welke baan bent u misgelopen? ‘Nou, ik ben nooit een baan misgelopen. Hoewel... Ik ben een keer door de Rabobank gevraagd of ik me vanaf het hoofdkantoor bezig wilde houden met de wielerploeg. Mijn gevoel zei me dat ik het niet moest doen. Maar er werd aangedrongen. Na twee gesprekken wist iedereen dat het niets zou worden. In die tijd was Jan Raas nog ploegleider, en Jan Raas en ik zijn niet goed. Ik stond bij hem in het verkeerde boekje. Ik deed niet wat hij wilde als renner, dat is iets dat hij niet vergeet. Het vak van manager is sowieso niets voor mij. Ik ben niet iemand die goed is in de uitvoering, ik breng de dingen op gang.'

Wilt u dat uw kinderen in uw voetsporen treden?

‘Wat ik mijn kinderen meegeef, is dat ze hun eigen keuzes maken. Als ze dan kiezen voor wielrenner word ik niet blij vanwege de nog steeds onmenselijke en onvolwassen aspecten die er aan de sport kleven. Maar ik zal ze geen strobreed in de weg leggen.'



Het beste advies dat ik ooit kreeg

'Organisatieadviseur Jos Viehoff zei me: "Je moet per direct beginnen met waar je goed in bent. Maak gebruik van je achtergrond als topsporter en je opleiding. Dat maakt je uniek. Ga vooral geen andere adviseurs naspelen."  Daarna ben ik aan de slag gegaan met het adviseren van sporters. Samen met oud-keeper Hans van Breukelen. Dat was meteen een schot in de roos.'

tekst Michiel Zonneveld fotografie Paul Levitton



 

 

 

 

 

Interview Wordt Vervolgd (Amnesty) , oktober 2011

 

Joël Voordewind: ‘Toen wij meeregeerden, was het beleid menselijk'

Joël Voordewind: ‘Toen wij meeregeerden, was het beleid menselijk'Joël Voordewind. ©Amaury Miller Door Michiel Zonneveld

Het Nederlandse mensenrechtenbeleid deugt niet‚ vindt Joël Voordewind van de ChristenUnie. Minister Leers stelt zich te hard op tegenover vluchtelingen. En Rosenthal gaat te omzichtig om met China. ‘Hij spreekt zich alleen uit als hij weet dat hij resultaat kan boeken.’ Hoe consequent is Voordewind eigenlijk zelf?

Aan zijn betrokkenheid bij mensenrechten hoeft niemand te twijfelen. Dat blijkt meteen als Joël Voordewind (46)‚ Tweede Kamerlid van de ChristenUnie‚ begint over de 18-jarige Angolese jongen Mauro. In een Amsterdams restaurant legt hij uit hoe belachelijk hij het vindt dat iemand als hij dreigde te worden uitgezet. ‘Die jongen is hier opgegroeid. Hoe kun je hem terugsturen naar een land waar hij vrijwel niemand kent? Behalve zijn moeder dan‚ met wie hij in zijn leven weinig en slecht contact heeft gehad.’ Toch werkt dit kabinet goeddeels met dezelfde wetten en regels als het vorige. En was het toen niet Voordewinds Christen-Unie die het beleid steunde? Voordewind:‘Laat ik vooropstellen dat je zelfs met een rechtvaardig asielbeleid niet ontkomt aan harde keuzes. Toen wij in de vorige kabinetsperiode als ChristenUnie deel uitmaakten van de regering steunden we het beleid van staatssecretaris Albayrak. Ik ga niet ontkennen dat in die tijd het asielbeleid ook is aangescherpt‚ maar dat was erop gericht de ellenlange procedures te verkorten‚ zodat asielzoekers sneller duidelijkheid zouden krijgen. ‘Het andere grote verschil is toch dat het beleid toen ook menselijk was. Als Christen-Unie hebben we bijvoorbeeld mee kunnen werken aan het generaal pardon. Nu overheerst de nadruk op hardheid.’

Aanvankelijk verdedigde minister Leers (Immigratie en Asiel‚ CDA)zich in de discussie over Mauro met het argument dat als je één asielzoeker clementie verleent er vervolgens een groep anderen klaarstaat die vinden dat ze ook mogen blijven. Voordewind: ‘Leers heeft zijn discretionaire bevoegdheid juist gekregen om in individuele gevallen uitzonderingen te kunnen maken. Gelukkig gaat hij opnieuw naar de zaak van Mauro kijken. Maar het is duidelijk dat hij onder druk van de PVV staat om in dit soort gevallen keihard te zijn. Nederland staat daardoor steeds minder bekend als een tolerant en humaan land. Bovendien scherpt dit kabinet de bestaande wetgeving nog eens aan. Bijvoorbeeld door illegaliteit strafbaar te stellen.’

Krijgt u vanuit uw achterban nooit kritiek omdat u voor een humaner asielbeleid pleit? ‘De reacties die ik krijg‚ zijn over het algemeen positief. Binnen kerken houden veel mensen zich bezig met het lot van asielzoekers‚ net als met mensenrechten in het algemeen en godsdienstvrijheid in het bijzonder.'

Reageren? wordtvervolgd@amnesty.nl

Lees dit en andere verhalen deze maand in Wordt Vervolgd. Vraag een gratis proefnummer aan.
Of neem een abonnement. U ontvangt 10 nummers voor maar 35 euro per jaar (of minder als u lid van Amnesty bent).

 

 

 

 

 

Klik hier voor veel meer artikelen (vanaf 1992).

 


Hyperlinks
| Contact | Zoeken
Copyright © 2004 michielzonneveld.nl Alle rechten voorbehouden