Chaos door rookverbod? Onzin!
16-03-2009
Amsterdam zou door het rookverbod in de horeca gebukt gaan onder chaos, opstootjes en erop los smirtende cafébezoekers op straat.
'Het rookverbod in Amsterdam heeft in het centrum tot een enorme stijging van de overlast geleid.'
Meeschrijven met de goede zaak, wat is daar eigenlijk tegen? De tijd waarin sommige journalisten schouder aan schouder stonden met de kraakbeweging, anti-kernenergiebeweging en de vredesbeweging is voorbij. Maar als reporter heb je natuurlijk wel een hart. Dus het is goed dat een krant als Het Parool zich het lot van de Amsterdamse horeca aantrekt, gebukt als die gaat onder crisis, rookverbod en strenge regels die nog worden gehandhaafd ook.
Op dinsdag 10 maart zagen we in de Amsterdamse krant een mooi staaltje van wat de moderne actiejournalistiek vermag. Het Parool kopte in haar gedrukte editie: 'Rookverbod leidt tot ruzies en rotzooi op de stoep'. Het artikel levert volop munitie aan al die horecaondernemers die tegen minister Klink van Volksgezondheid strijden.
Volgens Het Parool heeft het rookverbod tot een 'enorme' stijging van de overlast geleid van cafébezoekers die buiten hun sigaretten roken. In het artikel wordt gerept van een 'chaos op straat', 'opstootjes met rokende cafébezoekers' en 'ruzies met portiers'.
Een deel van de oorzaak zou, volgens verder niet bij naam genoemde 'ambtenaren', het gevolg zijn van 'smirten': mensen die tijdens het roken flirten en daardoor extra lang op straat staan. Er is overigens wel een klein verschil tussen de gedrukte editie van Het Parool en de digitale. In de krant is het woord 'enorme' geschrapt, maar een 'chaos' blijft het in beide verhalen.
Bij het lezen van de feiten die de basis van het bericht vormen, bekroop ons meteen een gevoel van argwaan. De bron blijkt een rapport van het stadsdeel Centrum waarin staat dat er vorig jaar sinds de invoering van het rookverbod sprake was van 121 klachten over 'terraslawaai' en 'roken op straat'. Maar is dat nu zo veel? In het bericht staat dat er in het centrum 1650 horecagelegenheden zijn (waarvan volgens gegevens van het stadsdeel 900 een terrasvergunning hebben). Dat betekent dus dat in de periode van 1 juli (toen het rookverbod inging) tot 31 december 2008 gemiddeld sprake was van minder dan één klacht per tien horecagelegenheden.
De begeleidende foto die Het Parool op haar interneteditie plaatst, helpt niet de geloofwaardigheid van het verhaal te vergroten. Daarop zie je een vijftal doodkalme jongeren naast elkaar op een bankje voor een horecagelegenheid zitten. Typische voorbeelden van rokers die geen onruststokers zijn.
Begrippen als 'veel', en ‘enorm' blijven natuurlijk subjectief. Maar wij zouden geneigd zijn te denken dat het aantal klachten enorm laag is. Vooral als je bedenkt dat er in de binnenstad genoeg mensen zijn om te klagen en over te klagen. In het centrum van Amsterdam wonen rond de 80.000 mensen op minder dan 8 vierkante kilometer oppervlakte, en dan laten we de stromen toeristen nog even buiten beschouwing. En zijn Amsterdammers volgens de rest van Nederland niet overassertief?
Bovendien is het niet zeker of alle klachten het gevolg zijn van het rookverbod.
In het rapport (met als titel: Invoering rookverbod in de horeca) staat bijvoorbeeld niet dat het 'terraslawaai' alleen wordt veroorzaakt door de rokers. Wel staat er dat de meeste klachten in september werden geregistreerd, toen het mooi weer was, en dus ook veel niet-rokers zich op de terrassen ophielden. In de maanden daarna zakte het aantal klachten aanzienlijk.
De stelling dat er sprake is van een 'stijging' door het rookverbod kan verder alleen maar worden waargemaakt als we die vergelijken met de cijfers van de jaren daarvoor. Helaas was dit de eerste keer dat het stadsdeel dit onderzoek liet uitvoeren. Wat wel helemaal klopt is dat er sinds het rookverbod op en rond de terrassen veel sigarettenpeuken liggen.
Over de in het bericht genoemde opstootjes en ruzies met portiers is niets te vinden in het rapport.
De vraag die ons nog bleef intrigeren was hoe dat nu zat met die ruzies over het smirten. De anonieme bron van Het Parool is snel gevonden: Ton Boon, woordvoerder van het stadsdeelcentrum. 'Ik heb juist gezegd dat het smirten een positief gevolg kan zijn van het rookverbod. Maar de journalist van Het Parool redeneerde net de andere kant op.'
Tekst Pieter van den Blink, Pieter Hilhorst en Michiel Zonneveld
Eerste aflevering in Intermediair
26-02-2009
Kanker slechts chronische ziekte: Onzin!
'De verwachting is dat kanker binnen enkele jaren een chronische ziekte zal zijn?'
Het leek te mooi om waar te zijn, en waar was het dan ook niet. Op 3 februari stond nog in de kranten dat kanker tegenwoordig de meest voorkomende doodsoorzaak was. Een dag later, op wereldkankerdag, berichtte het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP) dat diezelfde kwaal over een aantal jaren slechts een chronische ziekte zal zijn. Enkele kranten namen het bericht over. ‘Dit betekent', zo voegde de verslaggever van het ANP er ten overvloede aan toe, ‘dat mensen er niet meer aan zullen doodgaan.' Het leek het alsof het eeuwige leven zich aandiende.
Pieter van den Blink
Pieter Hilhorst
Michiel Zonneveld
Vanaf nu gaan we elke week een voorbeeld behandelen van nonsens in de media, of in elk geval van discutabele claims. En we hopen dat u ons gaat helpen zoeken naar berichten en uitspraken die te mooi, of te onwaarschijnlijk, zijn om waar te zijn. In dit geval hoefden we overigens niet meer te doen dan het persbericht op te vragen van KWF Kankerbestrijding op basis waarvan het bericht is geschreven. Daarin staat geen letter over het verdwijnen van de kanker. Jammer,dat moet ook het ANP hebben gevonden die de fout in het bericht nimmer rectificeerde
Een even opwindend bericht was dat over de vermeende CO2-uitstoot van de zoekmachine Google. Twee zoekinstructies zouden voor net zo veel uistoot zorgen als het koken van een pannetje water. Het NRC Handelsblad van 12 januari en een aantal nieuwssites wisten wel raad met dit nieuws. De site van De Telegraaf legde een koppeling met het klimaatprobleem. ‘Nooit meer schaatsen door Google!' Op de weblog van vierdejaarsstudenten van de Fontys Hogeschool Journalistiek in Tilburg is al korte metten met het bericht gemaakt. Het bericht bleek het gevolg van twee journalisten van The Sunday Times die er naar aanleiding van een Harvard-onderzoek flink op los hadden geïnterpreteerd.
Goede jagers gaan op zoek naar de plaatsen waar en de tijdstippen waarop ze het wild kunnen aantreffen. Als onzinjagers gaan wij hetzelfde doen.
Zo letten wij vooral op berichten waarin mensen feiten presenteren waar ze belang bij hebben. Als we lezen dat de vliegtaks banen op Schiphol kost, zijn we dus op ons hoede. Is het waar? Of is het nieuws in de wereld gebracht als onderdeel van een lobby van de luchtvaartsector? Met een zelfde argwaan zouden we Ivo Opstelten hebben benaderd toen hij bij zijn afscheid als burgemeester van Rotterdam beweerde dat de havenstad sinds zijn aantreden veiliger is geworden. Is dat echt zo? (De criminaliteit nam af: dat is echter niet hetzelfde als veiliger.) En in hoeverre kan hij de claimen dat zijn aanwezigheid daar iets mee te maken heeft? (Ook in andere steden daalde in die periode de criminaliteit.)
Een ander moment van argwaan is wanneer de journalist zijn verhaal baseert op één enkele bron, zoals bij het bericht over Google. Of als berichten naadloos aansluiten bij een heersende trend. Die worden vaak net iets te achteloos in de krant gekwakt. Een mooi voorbeeld was een onder andere door de Volkskrant overgenomen ANP-bericht van 24 november vorig jaar waarin stond dat een meerderheid van ex-rokers het sinds het rookverbod ongezelliger vond in het café. Het paste in een nieuwsstroom over toenemend verzet tegen het beleid van minister Klink. Maar verwonderlijk vonden we het wel, want alle ex-rokers in onze vriendenkring zijn fanatieke antirokers. Het bleek uiteindelijk om een onderzoek te gaan dat nauwelijks representatief was en waarin niet de ex-rokers, maar de niet-rokers waren ondervraagd. Slechts 35 procent van die groep vond het ongezelliger in het café. 45 Procent juist gezelliger.
Nogmaals: we hebben uw hulp nodig. Zonder de opmerkzaamheid en kennis van de lezer zijn we niets. Wordt wakker als u weer eens een bericht leest over de (on)deugdelijkheid van crèches, sinaasappels die kankerverwekkend zijn, of bestuurders die op dubieuze gronden succes claimen. Meld het ons en dan onderzoeken wij de bron. De aanval op de onzin is geopend!
De loopbaan van Alexander Rinnooy Kan
'Ik ben een zondagskind'
Intermediair, 02-03-2009
Alexander Rinnooy Kan (59) is voorzitter van de Sociaal-Economische Raad. Hij werd in 2008 uitgeroepen tot de ‘invloedrijkste Nederlander'.
Wie: Dr. A.H.G. Rinnooy Kan
Geboren: Den Haag, 5 oktober 1949
Opleiding: Wiskunde en kandidaats econometrie (1972), promotie doctor in de wiskunde (1976)
Loopbaan: rector magnificus Erasmus Universiteit Rotterdam, voorzitter VNO-NCW, raad van bestuur ING, voorzitter Sociaal-Economische Raad
Wat heeft u 10.000 uur gedaan in uw leven?
'Dingen uitleggen. Het begon al toen ik acht jaar was. Ik hielp mijn broertje met zijn schoolwerk. Op mijn veertiende heb ik nog een schriftelijke cursus Engels voor hem geschreven. Eigenlijk ben ik mijn hele leven blijven uitleggen. Op de universiteit ben ik ook vrij snel een student-assistentschap gaan doen. Ook nu weer bestaat een groot deel van mijn werk uit uitleggen.'
Wat is de rode draad in uw loopbaan?
'Dat is moeilijk te zeggen omdat ik zoveel verschillende dingen heb gedaan. Ik was hoogleraar, rector magnificus, voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO, lid van de Raad van Bestuur van de ING en nu ben ik SER-voorzitter.
Ik zou ook niet veel mensen weten met een loopbaan zoals die van mij waarin heen en weer gependeld is tussen de publieke en private sector. Misschien is de rode draad een blijvende nieuwsgierigheid, waardoor ik steeds weer andere dingen oppak.'
Geen succes zonder mazzel. Wanneer heeft u mazzel gehad?
'Dat is het moment dat ik startte met mijn promotieonderzoek. Ik wilde verder in de zuivere wiskunde. Ik was al aangenomen. Maar de universiteit moest bezuinigen en dus werd er een algemene vacaturestop afgekondigd. Als ik een paar weken eerder was afgestudeerd, was ik aangesteld. Ik kon wel aan de slag in de bedrijfseconometrie. Dat was een vak in opkomst. Ik had het geluk dat ik tijdens mijn promotieonderzoek op een idee uit Amerika stuitte dat relatief nieuw was en waarover ik samen met mijn collega in korte tijd veel publiceerde. Ik werd zo relatief gemakkelijk hoogleraar.
Mijn loopbaan zou beslist anders zijn gelopen als ik in de zuivere wiskunde was gepromoveerd. Ik weet niet of ik daarin had uitgeblonken. Waarschijnlijk zou ik na mijn promotie op een middelbare school wiskundeles zijn gaan geven.
Ik denk dat ik ook geluk had toen ze me vroegen om voorzitter van het VNO te worden. Ik weet nog steeds niet precies waarom ze in mij als wetenschapper een goede werkgeversvoorzitter zagen. Het was wat je noemt een kredietbenoeming. Waarschijnlijk omdat ik namens de universiteit redelijk succesvol was geweest in het gevecht tegen onderwijsbezuinigingen.
Het was ook een goed moment om afscheid te nemen van de wetenschap. Er zijn weinig wiskundigen die na hun veertigste nog met revolutionair vernieuwende ideeën komen.'
Welke baan bent u misgelopen?
'Ik ben uiteindelijk geen bestuursvoorzitter van de ING geworden. Nee, dat beschouw ik niet als een mislukking. Het was een functie waarvoor ik niet geschikt was. Mijn voorgeschiedenis in de financiële sector was te kort. Daar had ik dus niet 10.000 uur in geoefend.'
In welke mate bent u een product van uw jeugd?
'Mijn vader was plaatsvervangend thesaurier-generaal bij het ministerie van Financiën. Dat is een hoge publieke functie. Maar ik lijk wat betreft persoonlijkheid het meest op mijn moeder. Zij was een Britse, en opgeleid als actrice. Zij was iemand die harmonie kon creëren. Heel anders dan mijn vader.
Ik ben ook iemand die altijd harmonie wil bevorderen. Het is een tweede natuur geworden. Daar pluk ik nu bij de SER de vruchten van. Maar toen ik voor ING in Azië zaken moest doen, had ik er ook baat bij.'
Welke ervaring heeft grote invloed gehad op uw levenshouding?
'In de eerste vier klassen van de middelbare school was ik een buitenbeentje. Een introvert, pienter jongetje dat de beste van de klas was, maar ook werd gepest. Ik ben toen drie maanden naar Engeland gestuurd door mijn ouders. Toen ik terugkwam wist ik een positie in de klas te veroveren en heb er vrienden voor het leven gemaakt. Sommige klasgenoten zie ik nog steeds.'
Waarvoor moeten ze u niet vragen?
'De neiging om harmonie te zoeken kan een handicap zijn. In elke grote organisatie zijn mensen nodig die rücksichtslos knopen moeten doorhakken. Ik heb nooit in posities gezeten waar ik enorme gevechten heb moeten voeren. De keren dat ze me vroegen minister te worden, is dat een overweging geweest die meehielp nee te zeggen.'
Is er wel eens iets echt mislukt?
'Mijn grote mislukking is dat ik met zwemmen nooit mijn diploma C heb gehaald. Bij het halen van je C moet je schijfjes opduiken. Maar ik durfde mijn ogen niet open te houden bij het zwemmen.
Nadat het de eerste keer niet was gelukt, heb ik lang geoefend. Dan stopte ik thuis mijn hoofd in de wasbak en probeerde uit alle macht mijn ogen open te houden. De laatste keer dat ik probeerde mijn diploma te halen, dacht ik er klaar voor te zijn. Ik sperde mijn ogen wel open, maar op de een of andere manier kon ik net niet bij de schijfjes. Maar verder ben ik een echt zondagskind.'
En door die angst voor water bent u zo'n fervent aanhanger van de polder geworden?
‘Dat is de ergste psychologie van de koude grond!'
tekst Pieter Hilhorst en Michiel Zonneveld
|