Enkele recente publicaties en selectie:

Etalage voor Goede

Ideeën (serie Volkskrant vanaf 18 oktober 2008))

De ontheemde arbeider (Intermediair 1 mei 2008)

Adri Duivesteijn: ‘De stilte in de PvdA is dodelijk’ (Intermediair 13 juni 2007)

Er is veel dat de PvdA-politicus en de Oranje-coach verbindt (Parool 25 november 2006)

Serie interviews lijsttrekkers PvdA, SP en VVD, mijn eerste honderd dagen als....(Intermediair, 2, 9 en 16 november 2006)

Deze titanenstrijd is misleidend (de Volkskrant, Forum, 5 oktober 2006)

Justitie laat burger zitten (de Volkskrant, Forum, 11 april 2006)

Wouter Bos is bindend leider met bindingsangst (de Volkskrant, Forum, 9 maart 2006)

Bangkok op de fiets (Parool 31 december 2005)

Freakonomics, het abortuswonder (Vrij Nederland, 6 augustus 2005, boekbespreking)

De opkomst van de klaagpoliticus (Vrij Nederland, 23 juli 2005, essay)

Tijd voor journalistieke zelfreflectie (Vrij Nederland, 2 juli 2005, boekbespreking)

Het relaas van Marcel van Dam . mega-interview (Groene Amsterdammer, 24 juni 2005)

De Ziener van Verdonk (Groene Amsterdammer, 8 april 2005, boekbespreking)

Essay abdicatie Beatrix (VN, 5 februari 2005)

Reddeloos in Zambia (VN, 22 januari 2005, reportage)

Vloeken in de rechtse kerk, waarin nieuw rechts lijkt op oud links (VN, 24 april 2004)

Veroordeeld in Thailand (VN, 5 juni 2004)

Groeten uit de hel van Thailand (VN, 13 december 2003)

Boos op Brussel, over Nederlandse Euroscepsis (VN, 13 maart 2004)

Land van kleine angsten (VN, 14 december 2002)

Artikelen

opinie_200px_50

Goed idee gezien in de publieke sector? Geef het door!

Pieter Hilhorst en Michiel Zonneveld, 18-10-2008 Dementerende ouderen worden in Culemborg geprikkeld door kunstwerken Foto Joost van den Broek / de Volkskrant

De Volkskrant begint een serie over projecten in de publieke sector die het jatten waard zijn. En u mag meedoen.

We richten een Etalage voor Goede Ideeën in, in de zaterdagbijlage Het Betoog en op www.vk.nl/goedidee. Aan goede ideeën is in de publieke sector namelijk geen gebrek, wel aan de verspreiding ervan. En ideeën die vanuit Den Haag worden opgelegd, zijn al helemaal taboe. Gevolg: instellingen proberen allemaal zelf het wiel uit te vinden.

Er moet een culturele herwaardering van het jatten komen. Wie iets nieuws bedenkt, kan vaak wel een potje vinden. Veel lastiger is het om geld te vinden om de succesvolle experimenten en pilots op een grotere schaal navolging te laten krijgen. Massale verspilling van geld en goede ideeën zijn het gevolg.

Goed jatten is niet kopiëren, maar ideeën overnemen en op maat snijden naar de eigen problemen. Want soms kan een project niet simpel worden overgeplant.

Gezocht: managers in de publieke sector met lange vingers. Goed jatten stimuleert zo de creativiteit. Naast alle innovatieprijzen moet er dus eigenlijk een Goed-Gejat-prijs komen. Gezocht: managers in de publieke sector met lange vingers.

Doe mee!

Jongeren die hun opleiding afmaken. Geen ondervoede ouderen meer. Schone straten. Een einde aan de winkeldiefstal. Buren die met elkaar praten. Filevrij naar het werk.

Weet u oplossingen? Laat ze ons dan weten. U hoeft niet bang te zijn dat uw ideeën niet origineel genoeg zijn, of eigenlijk niet eens nieuw. Wees ook niet bevreesd voor het verwijt van plagiaat. We zullen u er juist om prijzen.

Het gaat ons immers om Goede Ideeën. Ons motto is daarbij: beter goed gejat dan slecht bedacht.

Uw inzendingen kunt u hieronder kwijt of sturen naar betoog@volkskrant.nl. Pieter Hilhorst en Michiel Zonneveld zijn journalisten

Essay Volkskrant 18 oktober 2008 en artikelen in serie zijn te vinden op de pagina 'artikelen'.

Essay Volkskrant 18 oktober 2008:

Pieter Hilhorst en Michiel Zonneveld, 18-10-2008

Goed idee, doe het na

Het barst in Nederland van de aansprekende initiatieven, maar waarom wil iedereen toch steeds weer het wiel uitvinden?

Eind 2004 werden in één weekend in Venlo-Noord zo veel ruiten ingegooid dat de schade opliep tot tienduizend euro. Sef Jansen, voorzitter van het wijkoverleg Venlo-noord, bedacht een simpele formule om het vandalisme te bestrijden: beloon jongeren als zij helpen om het vandalisme terug te dringen. De jongeren kunnen dan de helft van het geld verdienen dat de gemeente uitspaart aan schadeherstel. Omdat de jaarlijkse schade nu 50 duizend euro bedraagt, kan dat bedrag flink oplopen. Is er toch schade, dan wordt die van de ‘pot’ afgetrokken. Van de uiteindelijke opbrengst kunnen ze naar een pretpark. Op vier plekken in de wijk (het jeugdhonk, het wijkcentrum en twee basisscholen) hangt een geweldsmeter waarop de schade wordt bijgehouden.

Met zijn project probeert Jansen de sociale controle in de wijk te herstellen. Jongeren hebben nu een goede reden om elkaar in de gaten te houden: wie een ruit ingooit, boort iedereen een reisje door de neus. De kosten van het herstel van een ingetrapte ruit worden echter niet in rekening gebracht als een van de jongeren zegt wie het heeft gedaan. De dader wordt wel bestraft. Jansen vertelt dat er in 2006 4 jongeren uit de wijk door justitie zijn bestraft voor vandalisme. In 2007 was dat opgelopen tot 14. Begin 2007 won het project Geld voor geen Geweld de Nationale Onderwijsprijs.

Sindsdien zijn er volgens Jansen wel dertig instellingen langs geweest om het succes van Venlo te bekijken. Dat klinkt hoopgevend. Maar na zo’n bezoekje hoort hij er nooit meer wat van. Bij zijn weten heeft geen van de bezoekers zijn project overgenomen.

Een ander prijswinnend idee waren de stadsmariniers in Rotterdam. En eigenlijk geldt hiervoor hetzelfde verhaal, maar dan in extremis. Het vernieuwende idee werd in 2006 beloond met de Hein Roethofprijs, maar daarvoor mocht het zich al verheugen in warme aandacht. Het idee om mannen of vrouwen macht en geld te geven om dwars tegen alle bureaucratische regels en belangen in de criminaliteit aan te pakken, paste precies in de tijdgeest. De pers schreef er massaal over. Politici kwamen langs. Toch is het nauwelijks nagevolgd. In Oosterhout is tijdelijk een stadsmarinier benoemd. Stadsdeel Amsterdam-Noord begon een experiment, maar ondanks een positieve beoordeling heeft het idee in de hoofdstad geen navolging gekregen. Sterker nog: ook het experiment in Amsterdam-Noord is gestopt.

Deze voorbeelden illustreren een achilleshiel van innovaties in de publieke sector. Elke maand krijgt wel iemand een prijs voor een nieuw project, een onorthodoxe aanpak of voor een creatieve oplossing voor een belangrijk maatschappelijke probleem. Zou er een land zijn met zo veel innovatieprijzen op het gebied van veiligheid, onderwijs, gezondheidszorg en integratie? De suggestie is dat het grootste probleem in de publieke sector het gebrek is aan goede ideeën. Het probleem is echter veel meer de verspreiding van ideeën.

De misvatting moet zijn dat een goed idee zichzelf wel verkoopt. Een slimme oplossing of een goed idee is echter hooguit de helft van het verhaal. Het blijft natuurlijk belangrijk om voor hardnekkige problemen nieuwe oplossingen te bedenken, maar waarom wordt er zo slecht gebruikgemaakt van oplossingen die elders hun nut allang hebben bewezen?

Waar komt deze blindheid voor bewezen praktijken vandaan? Om te beginnen kunnen de professionals in de publieke sector en hun directeuren het zich veroorloven. Er is namelijk niemand die ze dwingt. De vrijblijvendheid is een keerzijde van de decentralisatie. Vroeger werden vernieuwingen van bovenaf opgelegd. Die aanpak kan op weinig sympathie meer rekenen. Zeker na het rapport van de commissie Dijsselbloem, over de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen decennia, is het werken met blauwdrukken en missives uit Den Haag taboe. Politici en zelfs inspecties zijn huiverig om voor te schrijven hoe welzijnsinstellingen, scholen of ziekenhuizen moeten opereren.

De overheid kan de verspreiding van goede ideeën en slimme praktijken slechts stimuleren. Dat doet zij door de oprichting van kenniscentra die bekendheid moeten geven aan de best practices op hun vakgebied. Maar ook door prijzen in het leven te roepen voor excellente projecten. Het is dan maar hopen dat instellingen hun licht opsteken bij deze voorbeeldige prijswinnaars en de goede ideeën overnemen.

In de praktijk valt dat dus tegen. Er bestaat een not invented here-syndroom. Instellingen hebben het idee dat wat elders is bedacht niet kan deugen. Voor een deel zit dat ingebakken in onze cultuur. Iets uitvinden staat in hoog aanzien, plagiaat is daarentegen een schandaal. Maar het heeft ook te maken met een sterk geloof in de uniciteit van het eigen werk en de eigen doelgroep. Wie werkt met verstandelijk gehandicapten met een mentale leeftijd van twee jaar vindt dat onvergelijkbaar met werken met verstandelijk gehandicapten met een mentale leeftijd van 3 jaar. ‘Wat zij daar hebben bedacht, kan bij ons niet werken.’ Ook het veelgehoorde pleidooi voor maatwerk belemmert het overnemen van methoden van buiten. Maatwerk impliceert immers dat voor elk individu een aparte aanpak noodzakelijk is. In de praktijk is het dan ook een alibi voor permanent improviseren. Het overnemen van goede ideeën van buiten vereist daarentegen een methodische aanpak.

Gelukkig lukt het soms wel om het not invented here-syndroom te doorbreken. Zes jaar geleden is de sociale dienst van Den Bosch gaan experimenteren met het work first-beginsel.

Iets uitvinden staat in hoog aanzien, maar plagiaat is een schandaalWerklozen die zich meldden aan het loket, moesten terstond aan de slag. De dienst hanteerde het principe ‘voor wat, hoort wat’. In ruil voor een uitkering moesten werklozen twintig uur per week besteden aan het vinden van een baan of het volgen van een traject. Het was zelfs mogelijk dat werklozen (tijdelijk) werden ingezet bij een sociale werkplaats. Deze work-first aanpak is razendsnel door andere sociale diensten overgenomen. Volgens Divosa, de branchevereniging van sociale diensten, werkt inmiddels 85 procent van de sociale diensten in het land met een vergelijkbare aanpak.

De reden waarom het voorbeeld in dit geval wel navolging heeft gekregen, is dat het voor sociale diensten uitermate lonend is om op deze manier te werken. Sinds de Wet werk en bijstand hebben gemeenten een financiële prikkel om het aantal uitkeringsgerechtigden zo laag mogelijk te houden. Een effect van het work-first principe is dat een deel van de mensen die zich melden aan het loket terugschrikt voor de tegenprestatie en geen uitkering aanvraagt. Dat is makkelijk verdiend.

In plaats van sturing van bovenaf is het dus mogelijk om via financiële prikkels innovatie te stimuleren. Het publiceren van een rangorde van de prestaties van instellingen in de publieke sector kan ook helpen. Niemand houdt ervan om de directeur te zijn van een ziekenhuis dat in een gepubliceerde ranglijst onderaan bungelt. Maar deze aanpak heeft wel een risico. De kans bestaat dat instellingen vooral verbeteringen doorvoeren die hen een hogere plaats opleveren op de ranglijst. De goede aanpak wordt als het ware uitgekleed.

Yvonne Bieshaar was als directeur van de sociale dienst in Den Bosch een van de pioniers van deze aanpak. Inmiddels is zij directeur van de dienst bij Drechtsteden. Zij constateert dat work-first massaal is nagevolgd, maar niet altijd op de juiste manier. Een goede invoering vergt een mentaliteitsverandering bij een sociale dienst. Tegenover strenge eisen aan de uitkeringsgerechtigde staat veel persoonlijke aandacht en hulp. ‘Sommige gemeenten nemen alleen de verplichtingen over en niet de op maat gesneden hulp om aan de slag te komen. Het voorschrijven van de verplichtingen wordt een bureaucratisch automatisme. Dan werkt het niet.’

De 44-jarige Bennie Beck uit Arnhem lijkt daarvan slachtoffer te zijn geworden. Hij was door zijn reïntegratiebureau voor de keuze gesteld: schoffelen of lijm inpakken. Hij koos onder protest voor het eerste, hield het één dag vol en werd vervolgens gekort op zijn uitkering. De rechtbank gaf Beck vorige week deels gelijk. Het was volgens de rechter onduidelijk hoe schoffelen zijn kans op werk zou vergroten.

Het geven van financiële prikkels en het publiceren van ranglijsten werkt dus soms averechts, en is onvoldoende om innovatie te bevorderen. Het moet spannend en aantrekkelijk worden om rond te kijken en goede ideeën over te nemen. Nu zie je dat er vooral interesse is voor een andere aanpak als dat gekoppeld wordt aan een reis naar Amerika of een ander buitenland. Dan willen directeuren van instellingen of wethouders wel gaan kijken. Voor een ontdekkingsreis naar Coevorden is doorgaans minder enthousiasme. Toch valt er ook in het binnenland nog genoeg op te steken, want er zijn goede ideeën zat. Voor iemand zelf het wiel gaat uitvinden is het goed om eerst rond te kijken.

Het is daarom noodzakelijk dat er een culturele herwaardering van het jatten komt. Wie iets nieuws bedenkt kan daarvoor dus vaak wel een potje vinden. Veel lastiger is het om geld te vinden om de succesvolle experimenten en pilots op een grotere schaal navolging te laten krijgen. De bedragen waarover je dan praat, zijn veel groter dan bij een enkel experiment. Het gevolg is dat voor de opvolging van succesvolle experimenten geen geld is.

Jos Verhoeven, directeur van de stichting Start Foundation – die projecten financiert die de positie van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt trachten te versterken – geeft een rake typering van de innovatie in de publieke sector: ‘We hebben heel veel laboratoria, maar geen productiehallen. Het gevolg is een massale verspilling van geld en goede ideeën.’ Naast al die innovatieprijzen moet er eigenlijk een Goed-Gejat-prijs komen. Gezocht: managers in de publieke sector met lange vingers. Daarom begint de Volkskrant een serie over projecten die het jatten waard zijn. We richten een Etalage voor Goede Ideeën in.

We portretteren ook mensen die de kunst van het jatten verstaan. Goed jatten is niet kopiëren, maar ideeën overnemen en op maat snijden naar de eigen problemen. Want soms kan een project niet simpel worden overgeplant. Sef Jansen belichaamt ‘Geld voor geen geweld’. Na vernielingen in de wijk gaat hij langs bij wat hij liefkozend noemt ‘de voetbalboefjes’ en de ‘hangjongeren’ om ze te vragen wie dat heeft gedaan. Misschien schuilt het succes wel in zijn gedrevenheid. Wie het project overneemt, moet dus op zoek naar een lokale Sef Jansen. En als die er niet is, moet daar een lokale oplossing voor worden gevonden. Goed jatten stimuleert zo de creativiteit.

De Amerikaanse minister van Financiën Paulson heeft dat uiteindelijk goed begrepen. In plaats van vast te houden aan zijn eigen (slechte) plan om de kredietcrisis het hoofd te bieden, heeft hij de Britse aanpak gekopieerd. Zo hoort het. Beter iets goeds jatten, dan zelf iets slechts bedenken.

Pieter Hilhorst en Michiel Zonneveld zijn journalisten.

 

Artikel Volkskrant 25 oktober 2008

door Pieter Hilhorst

en Michiel Zonneveld

etalage_goede_ideen_300 Illustratie Mike Ottink

Het eerste Goede Idee: het project Vooruit. Studenten krijgen gratis een woning in een achterstandswijk en als tegenprestatie verrichten ze tien uur per week vrijwilligerswerk voor de buurt.

Lees hier meer over de Etalage voor Goede Ideeën van de Volkskrant

‘Waaraan merk je dat het helpt?’ Jaouad Majiti (21), derdejaarsstudent bedrijfswetenschappen aan de VU, moet even nadenken. Hij heeft net een hele middag spelletjes gespeeld met kinderen uit Amsterdam-Slotervaart. Binnenkort gaat hij daar ook wonen. Uiteindelijk zegt hij: ‘Ik ben het bewijs dat het werkt. Ik ben opgegroeid in net zo’n achterstandswijk, maar dan in Den Bosch. Ik ging altijd naar het buurthuis. Dat heeft mijn horizon verbreed en nu studeer ik aan de Vrije Universiteit.’ Majiti is een van de studenten die meedoen aan het project VoorUit.

Het idee  is simpel: studenten krijgen gratis een woning in een achterstandswijk en als tegenprestatie verrichten ze tien uur per week vrijwilligerswerk voor de buurt. Ze helpen kinderen met huiswerk, organiseren activiteiten voor hen en geven computerles aan buurtbewoners. Zo komen duurzame netwerken tot stand tussen weerbare en kwetsbare stadsbewoners.

Betrokkenheid

In het studiejaar 2007-2008 hebben de eerste zestien studenten van de VU hun intrek genomen in de Amsterdamse wijken Slotervaart en Osdorp. Dit jaar is daar Geuzenveld bijgekomen. Inmiddels doen dertig studenten mee. De betrokkenheid van de studenten is groot. Van de zestien die er vorig jaar aan zijn begonnen, is er maar één tussentijds afgehaakt.

Liora Eldar, de drijvende kracht achter het project, vertelt dat het idee afkomstig is uit Israël. Aan de Ben Gurion-universiteit in Beër Sjeva doen maar liefst honderdveertig studenten mee – en dat al vijfentwintig jaar. De studenten helpen vooral kinderen uit de Bedoeïenengemeenschap. De allereerste vrouw uit deze voormalige nomadengemeenschap die erin is geslaagd arts te worden, was zo’n kind dat door deze studenten onder hun hoede werd genomen.

Appartement

Dat het Israëlische project in Amsterdam is overgenomen is te danken aan Karel Waagenaar van W&S transitie- en interim-management. Hij heeft het eerste jaar de kosten van het project voor zijn rekening genomen. In het tweede jaar is de Stichting Studenten voor samenleving opgericht om het project VoorUit voor te zetten. De stichting wordt ondersteund door de VU en de woningcorporaties Ymere en Far West.

Een verschil  is dat de studenten  in Israël de buurtkinderen thuis ontvangen. De vrees bestond dat die werkwijze  sommige ouders uit Amsterdam-West zou afschrikken. Daarom is besloten per wijk een extra appartement ter beschikking te stellen  voor de activiteiten.

Buurt

VoorUit is niet het enige project dat huiswerkbegeleiding organiseert, en ook niet de enige club die buurtactiviteiten organiseert.

De betrokkenheid van de studenten is groot.Het belangrijkste verschil is dat de studenten ook in de buurt gaan wonen. Ze komen de kinderen en hun ouders dagelijks tegen op straat. Eldar: ‘Het zijn buren die elkaar helpen. Ik kom bij jou voor een kopje suiker, jij kunt mijn hulp inroepen als je er niet uitkomt met een officiële brief of een formulier.’ De projecten van de studenten lopen zeer uiteen.

Vorig jaar hebben ze  een aantal kinderen tot portiekportier gemaakt. Ze hebben met elkaar de portieken schoongemaakt. De kinderen kregen de verantwoordelijkheid om ze schoon te houden. Verder is Eldar nu bezig elke student mentor te laten worden van een kind uit de buurt en zijn of haar familie.

Zo worden de studenten vertrouwenspersonen, en ook ogen en oren in de wijk. Vorig jaar heeft een student bij een school aan de bel getrokken omdat hij vermoedde dat een kind thuis werd geslagen. De studenten werken vooral met kinderen tussen 6 en 14 jaar. Met iets oudere tieners – ook bij Jaouad hangen die voor de deur – wordt minder gedaan.

Duurzaam

Veel integratieprojecten zijn gericht op eenmalige ontmoetingen. VoorUit creëert daarentegen duurzame netwerken. Eldar hoopt zelfs dat het project de kinderen contacten oplevert waar ze ook jaren later nog wat aan hebben, bijvoorbeeld als ze een stageplek zoeken. Eldar is ervan overtuigd dat als deze VoorUit-studenten straks manager zijn, ze hun personeel anders zullen selecteren.

Het mooie aan het project is volgens Eldar dat zowel de kinderen uit de buurt veranderen als de studenten. Bij die laatsten ziet ze dat razendsnel gebeuren. Ze voelen zich veilig in een vreemde omgeving en zijn ook bereid om zich een beetje aan te passen. ‘Het decolleté en de piercings zijn snel verdwenen.’

Het perspectief van de kinderen uit de buurt verandert ook door het contact met de studenten. Bij een excursie aan de VU verbaasde het de kinderen dat er op de universiteit ook studenten rondlopen met een hoofddoek. Opeens zien ze dat  ook zij welkom zijn op de universiteit.

Echte Marokkaan

De kinderen die Jaouad huiswerkbegeleiding geeft, zitten op de islamitische basisschool El Kadisia. Hij denkt dat hij de kinderen leert om beter voor zichzelf op te komen. ‘Ik leer ze onder woorden te brengen wat ze willen. Daar hebben ze grote moeite mee.’ Ze schikken zich of worden agressief. Hij merkt ook dat de meisjes losser worden en minder preuts. ‘Nu komen ze gewoon naar me toe en vragen me of ze hun ingestudeerde dansje mogen laten zien.’

Jaouad vertelt lachend dat kinderen soms aan hem vroegen of hij wel een echte Marokkaan is. Een echte Marokkaan doet in hun ogen geen vrijwilligerswerk. Zo leren ze dat er in het leven veel meer mogelijk is dan ze denken. Als ze dan later naar de universiteit gaan, kunnen ze net zoals Jaouad vrijwilliger worden bij VoorUit.

etalage_goede_ideen_300 Illustratie Mike Ottink

Het tweede Goede Idee: De doe-het-zelfcrèche in Utrecht. Een groot succes, maar niemand uit Den Haag is nog komen kijken.

8 november 2008.


We hadden het eigenlijk kunnen zien aankomen. Vier weken geleden schreven we dat het grote misverstand in de publieke sector is dat innovatie gelijk staat aan iets nieuws bedenken. Uitvinders willen wij Nederlanders zijn, of nog liever  kunstenaars. Maar bij innovatie gaat het om het zo goed mogelijk gebruik maken van bestaande ideeën. Een idee jatten mag. Het moet zelfs worden aangemoedigd.

Daarom deden we een oproep voor ideeën die de moeite waard waren om gekaapt te worden. Maar die ideeën moesten hun waarde wel al in de praktijk hebben bewezen. Dat hadden we er duidelijker bij moeten vertellen.

Veel originele ideeën

Onze oproep was dus als een uitnodiging van een melkbar aan een groep alcoholisten, die alleen het woord bar horen. Veel mensen grepen de kans aan om hun briljante oplossing voor een klein of een groot maatschappelijk probleem in te sturen. Het waren originele ideeën. Zo stelde een lezer voor om fietsers voortaan linksom de rotonde te laten nemen, dan zien ze de auto’s beter aankomen. Iemand riep snoepfabrikanten op de doordrukstrip van de kauwgum hersluitbaar te maken, zodat je de uitgekauwde kauwgum niet op straat hoeft te gooien, maar in het pakje terug kan stoppen. Maar er waren amper ideeën bij die ook daadwerkelijk waren gerealiseerd.

Gelukkig waren er ook lezers die onze bedoeling wel begrepen. In Utrecht, zo schreef Martin Pikaart ons, bestaat al ruim dertig jaar een vorm van kinderopvang die door de ouders zelf wordt georganiseerd. Volgens Pikaart, die zelf in het verleden als ouder betrokken was bij de crèches, werkt het prima en zijn de kosten voor de ouders laag.

Ouderparticipatie

‘Ze heten tegenwoordig ouderparticipatiecrèches’, vertelt Pikaart als we hem bellen. Als voorzitter van de Stichting Ook-kinderopvang probeert hij zo veel mogelijk mensen voor het idee te interesseren. Pikaart: ‘De crèches zijn een voortzetting van wat vroeger de antiautoritaire crèches werden genoemd. Er is natuurlijk veel veranderd. Gebleven is het idee dat ouders elkaars kinderen opvangen.’ Er zijn in Nederland een stuk of zes ouderparticipatiecrèches, de meeste in Utrecht.

Dus melden we ons op maandag bij Kinderdagverblijf De Villa in Utrecht. De crèche is ondergebracht in een prachtig oud schoolgebouw aan de Mgr. Van de Weteringstraat. Emilin Lap ontvangt ons in een ruimte met een kind of tien. Net als de andere medewerkers heeft ze zelf kinderen op de crèche.

Je weet toch zelf hoe je een kind moet opvoeden?Die ochtend heeft ze met een andere moeder dienst.

Als we even later boven op een rustiger plek zitten, is de eerste vraag of het toeval is dat die dag twee moeders de zorg voor de peuters hebben. ‘De vaders doen volop mee. Dat zien we als een van de voordelen van onze manier van kinderopvang. In de reguliere crèches werken bijna alleen vrouwen. Mannen hebben een heel andere invloed. Ze spelen net iets vaker het Grote Krokodillen Oversteekspel, terwijl moeders in de regel iets vaker voorlezen.’

Intensief contact

Ze legt uit dat in De Villa de kinderen ingedeeld worden in drie groepen van maximaal twaalf kinderen.  ‘De ouders hebben intensief contact. Elke maand vergaderen we  over  de gang van zaken. Ook buiten de crèche is er intensief contact. Vaak logeren kinderen bij elkaar. De groepen moeten klein blijven zodat de kinderen aan de ouders kunnen wennen.’  Lap heeft nooit gemerkt dat kinderen moeite hebben met elkaar afwisselende begeleiders.


Omdat de ouders zo veel mogelijk zelf doen, blijven de kosten laag. ‘We betalen 200 euro per maand. Daarvoor mag je je kinderen vijf dagen in de week brengen.’ Ze gelooft niet dat de kosten van grote invloed zijn bij de keuze voor dit soort kinderopvang. Lap: ‘Ouders zijn bijzonder gemotiveerd. We vragen veel van de ouders. Ze  moeten bij toerbeurt een dienst draaien. Daarnaast moeten we bijvoorbeeld zelf het plein opknappen, en verzorg ik als ouder bijvoorbeeld de intakegesprekken voor nieuwe ouders. Maar daar staat voor mezelf veel tegenover. Ik heb nooit het gevoel dat ik een deel van de opvoeding aan een professional overlaat. Daar zou ik zelf moeite mee hebben.’

Professionals

Lap erkent wel dat het ontbreken van professionals voor sommige ouders een drempel is. ‘Tegen hen wil ik zeggen: je weet toch zelf hoe je een kind moet opvoeden?  Bovendien is het leuke dat je van elkaar kunt leren. En we doen veel om de kwaliteit van de opvang zo goed mogelijk te laten zijn. Alle ouders volgen jaarlijks een EHBO-cursus. We zorgen voor feedback van professionals en we hebben een pedagogisch plan.’

Blijft de ouderparticipatiecrèche niet vooral iets voor hogeropgeleiden? Lap: ‘De meeste mensen op onze crèche zitten in de vrije beroepen. Zij kunnen ook flexibeler met hun tijd omgaan. Maar het is niet per se iets voor hoger opgeleiden.’ Pikaart daarover: ‘Interessant is dat het idee erg aansluit bij de cultuur van allochtonen. Je ziet uit die kring steeds meer interesse.’

De afgelopen jaren is in Den Haag veel geruzie gemaakt over de tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang en al die tijd is niemand in Utrecht wezen kijken hoe ze het daar hebben georganiseerd. Reden genoeg om de doe-het-zelfcrèche in de Etalage te zetten.

De volgende aflevering gaat over schooluitval

etalage_goede_ideen_300 Het derde Goede Idee: schooluitval tegengaan door leerlingen te laten zappen tussen opleidingen.

Volkskrant, 22 november 2008

Overal in het land zijn scholen bezig met hun eigen project om leerlingen binnenboord te houden. Met onze oproep om voorbeelden te sturen van een aanpak die werkt hebben we ons daarom wel wat op de hals gehaald.

Er zijn zo veel projecten dat het onderwijsmanagers eigenlijk verboden zou moeten worden om nog iets nieuws te gaan verzinnen. Kijk eerst eens goed rond wat elders al is bedacht. Ambtenaren van het ministerie van Onderwijs die verantwoordelijk zijn voor ‘de aanval op de uitval’ stuurden ons een hele lijst met projecten die met succes schooluitval bestrijden (voortijdigschoolverlaten.nl).

De projecten kunnen grofweg in drie categorieën worden opgedeeld.
Sommige scholen zoeken de remedie in snelheid. Leerlingen die in de problemen komen of hun motivatie verliezen, stoppen niet van de ene op de andere dag met hun studie. Het begint met een dagje wegblijven. Op het ROC van Amsterdam wordt daarom geëxperimenteerd met een 100-procentcontrole. Met iedereen die niet komt opdagen wordt contact opgenomen. Er worden zelfs huisbezoeken afgelegd.

Andere scholen zetten vooral hun kaarten op het verbeteren van de aansluiting tussen vmbo en mbo. Van de 57 duizend schoolverlaters haken er jaarlijks 35 duizend af op het mbo. De veronderstelling is dat veel leerlingen moeite hebben met de op het mbo vereiste grotere zelfstandigheid. In het project VM2 krijgen leerlingen de kans om in hun oude vertrouwde vmbo-omgeving te beginnen aan een mbo-opleiding. Veel scholen hebben zich bij het VM2-project aangesloten.

Een derde oplossing is het verbeteren van de beroepskeuze van de mbo-leerlingen. Veel van hen hebben eigenlijk geen idee wat ze willen studeren of willen worden. Leerlingen die een vmbo-kaderopleiding volgen moeten op hun 14de een richting kiezen.

Zappen

Yoonis Shire (18) koos destijds voor Metaal en Electro en wist al snel: dat is niks. ‘Afmaken en wegwezen’ was zijn devies. Maar wat hij dan wel wilde wist hij niet. Uiteindelijk heeft hij gekozen voor FC XL. Dat is een opleiding van het Friesland College waar leerlingen maximaal een jaar in meerdere richtingen stages lopen.

Hendrika Duursma is de directeur van FC XL (X-stream Learning):  ‘We hebben te maken met een andere generatie. Ze hebben geleerd om te zappen, ze willen ook zappen tussen opleidingen. Vaak beginnen ze aan een opleiding maar weten absoluut niet wat hun te wachten staat.

Deze generatie wil ook zappen tussen opleidingenAls het tegenvalt, lopen ze snel het risico uit te vallen.’  Yoonis heeft eerst stage gelopen bij een communicatiebureau, maar dat beviel hem niet. Vervolgens is hij bij het ICT-praktijk-leerbedrijf van de school aan de slag gegaan. Nu volgt hij een mbo-opleiding ICT.

Het FC XL staat niet alleen open voor leerlingen die na hun vmbo-opleiding geen keuze kunnen maken. Femke Lantinga (17) is creatief en las graag modebladen en dus begon ze vorig jaar aan de MBO-opleiding mode en design. Binnen twee weken wist ze  dat ze de verkeerde keuze had gemaakt. ‘Ik was er doodongelukkig. Ik wil niet de hele dag met kleren bezig zijn. Ik kwam erachter dat het meer een hobby was dan leuk werk.’

Stages

Uit een beroepskeuzetest rolde het advies Toerisme. Ook dat was niks voor haar. Daarop is ze naar het FC XL gegaan. Ze heeft er stages gelopen als onderwijsassistent en bij een andere school op een administratie. ‘Ik had nooit aan het onderwijs gedacht. Ik liep stage in groep 3 en vond het geweldig. Die kinderen die je hele verhalen vertellen. Wat een fantasie komt er boven!’ Inmiddels volgt ze een opleiding voor onderwijsassistent.

Leerlingen van het FC XL lopen drie dagen per week stage. De andere twee dagen werken ze aan projecten. Elke leerling heeft een  coach. Als een leerling stage gaat lopen  bij een restaurant, dan zorgt de coach dat hij bij de koksopleiding een spoedcursus hakken en snijden krijgt. De coach helpt ook bij problemen op persoonlijk vlak. Hij begeleidt ze tot ze op de juiste opleiding zitten, waar ze een nieuwe coach krijgen.

Kosten

Deze intensieve aanpak maakt het concept wel duur. Een coach heeft gemiddeld 18 leerlingen onder zijn hoede. In het ‘normale’ onderwijs is de verhouding docent/student 1 op 23. Gemiddeld zitten leerlingen twintig weken op FC XL. Daarna gaan ze weer naar een reguliere opleiding. Hun portfolio met beoordelingen van projecten en stages nemen ze mee. De bedoeling is dat ze zo enkele vakken kunnen overslaan als ze hun nieuwe opleiding beginnen. Yoonis en Femke moesten na hun stage van voren af aan beginnen. Toch hebben ze geen spijt. Yoonis: ‘Vrienden kozen voor de bouw en willen na twee jaar toch iets anders. Dan ben ik beter af.’

Het kabinet wil de schooluitval in vier jaar met 40 procent verminderen. Voor elke schooluitvaller minder ontvangt een school 2.000 euro. Is het lucratief om de aanpak van het FC XL over te nemen? Volgens Duursma is het zeker mogelijk om leerlingen te laten ruiken aan verschillende richtingen. Maar om er een succes van te maken is meer nodig. ‘Het is essentieel dat leerlingen tussentijds kunnen beginnen aan een reguliere opleiding met honorering van wat ze op een FC XL-achtige opleiding hebben gedaan.’ Als je alleen in september en januari kan beginnen, wordt het niks. Aan die flexibiliteit wordt op veel mbo-opleidingen gewerkt, maar zover is het nog lang niet.

Hoe de middenstand terugkeert naar Lonneker

Pieter Hilhorst en Michiel Zonneveld, 05-12-2008 Opinieetalage_goede_ideen_300 Het vierde Goede Idee: supermarkt Attent in Lonneker. Verstandelijk gehandicapten hebben er werk en de  middenstand blijft behouden in een klein dorp.

\

Lonneker was zo’n dorp waar de middenstand langzaam wegtrok. Vooral de jongere bewoners maakten liever gebruik van de grote supermarkten elders. Met de auto is de drie kilometer naar Enschede immers snel afgelegd. En zeven kilometer de andere kant op lonken de winkelcentra van Oldenzaal.

Nog lang konden de circa 1.800 bewoners van het Twentse dorp terecht bij de lokale supermarkt. Maar in 2001 kon ook deze het vanwege de gedaalde omzet niet meer bolwerken.

Vier jaar later geschiedde er echter een wonder in dit dorp. Op de plek van de oude winkel verrees een nieuwe buurtsuper, als franchise aangesloten bij Attent (onderdeel van Spar). Het is een initiatief van  zorginstelling AveleijnSDT.

‘Het personeel in de winkel bestaat uit mensen met een verstandelijke beperking en hun drie begeleiders,’ vertelt Joyce van Rees van AveleijnSDT. Vorig jaar was ze bedrijfsleider van de buurtsuper. Tegenwoordig is ze als clusterhoofd verantwoordelijk voor verschillende projecten.

‘Meestal zijn we als instelling bezig ons af te vragen welke werkzaamheden de cliënten graag willen doen en wat hun mogelijkheden zijn. Het leuke van dit project is dat we iets bieden waar een grote behoefte aan bestaat,’ zegt Van Rees. ‘Het initiatief namen we toen we van dorpsbewoners hier hoorden dat ze hun winkel terug wilden.’

Naast Van Rees zit Frank, een van de cliënten van  AveleijnSDT. We vragen hem of hij het in zijn baan naar de zin heeft. Hij knikt. Vooral de contacten met de klanten vindt hij leuk. ‘En dit is echt werk.’

Als we even later in de winkel lopen, zien we veel oudere klanten. ‘Lonneker is relatief vergrijsd,’ vertelt clustermanager Van Rees. ‘Zij komen hier graag voor de dagelijkse boodschappen. Voor hen is Enschede toch  snel te ver. Het maken van een praatje is voor hen net zo belangrijk als de boodschappen. Sommigen van  hen komen daarom wel drie keer per dag terug. We kregen zelfs het verzoek om een koffiemachine te plaatsen.’

Daar wilde de winkel niet aan beginnen. Het zou concurrentie betekenen voor de horecagelegenheden in het dorp.

Heeft de buurtsuper geen problemen met de bakker die het wel in het dorp heeft volgehouden?  ‘O nee,’ zegt Van Rees. ‘We werken juist heel goed met hem samen.’ In de buurtsuper wordt zijn brood verkocht.

`Dit is echt werk.’Verder helpen de medewerkers van de buurtsuper elke dag bij de winkel aan de overkant. Ze snijden daar in de morgen brood en later doen ze andere klussen, zoals bijvoorbeeld vegen, schoonmaken en afwassen.

Het is in veel opzichten een bijzondere supermarkt. Van Rees: ‘Daarmee bedoel ik niet dat de klanten slechter af zijn. Hooguit zijn we  iets duurder dan de heel grote supermarkten. Maar dat komt doordat we bij de groothandel als kleine afnemer meer moeten betalen. Daarin onderscheiden we ons niet van andere buurtsupers. Voor het overige valt het nieuwe klanten juist op dat het hier supernetjes is. Zelfs de lege dozen zijn hier opgestapeld.’

In totaal werken er 22 cliënten van AveleijnSDT in de winkel. De meeste van hen doen dat in deeltijd. In de winkel zelf zijn er tussen de 11 en 13 te vinden. Het valt vooral op dat ze allemaal enorm gemotiveerd lijken. Bij de schappen staat een in rode werkkleding gestoken medewerker  de producten te spiegelen of de data te controleren.

De omzet van de winkel is minder hoog dan die van de gemiddelde supermarkt. ‘Daar schrok  ik in het begin wel van,’ zegt Hilbrand Reinders, die tegenwoordig de bedrijfsleider is. ‘Ik kom uit de supermarktwereld en ben anders gewend.’

Van Rees vult aan: ‘We kunnen dit alleen doen omdat de cliënten die hier werken een AWBZ-uitkering krijgen waarmee begeleiding betaald kan worden.’ Vanuit de buurtwinkel worden de boodschappen ook per bus of bolderkar bezorgd. Vooral ouderen die moeite hebben hun huis uit te komen, hebben daar veel behoefte aan. Daarnaast kan de winkel  bijzondere dingen doen. Als er bijvoorbeeld een oudere is die nog wel naar de winkel kan komen, maar moeite heeft de boodschappen mee naar huis te slepen, gaat er iemand mee om te helpen dragen. Van Rees: ‘We  proberen verder zo veel mogelijk aan te sluiten bij wat er in de buurt gebeurt, zoals de Sinterklaasoptocht.’

Het vlees in de schappen is van de dichtstbijzijnde slager. Van Rees: ‘Zo heeft hij een omzetstijging en krijgen de dorpsbewoners vlees van de slager aan wie  ze gewend zijn.’

Met de pastoor is  afgesproken dat hij het geld voor de collecte bij de winkel wisselt. ‘Daarmee lossen wij ons gebrek aan kleingeld op, en hebben we geen van beiden kosten voor het wisselen van geld.’

Inmiddels komen mensen uit veel plattelandsgemeenten kijken hoe ze in Lonneker werken. Hebben zij  zelf ook de kunst afgekeken? ‘We zijn  een keer in het Friese Oldeberkoop gaan kijken,’ zegt Van Rees. ‘Daar is een soortgelijk initiatief van zorginstelling Talant die met ongeveer dezelfde doelgroep werkt. Het was interessant om te zien. Ook al besluit je sommige dingen anders te doen.’

Buiten wijst van Rees naar de nieuwbouw naast de winkel. ‘Dat wordt ons nieuwe gebouw,’  zegt ze trots. ‘En op de plek waar we nu zitten, bouwt de eigenaar enkele nieuwe panden waar zich winkeltjes kunnen vestigen.’ Zo keert de middenstand weer terug in Lonneker.

De volgende aflevering van de Etalage voor goede ideeën gaat over overlast en criminaliteit van jongeren. Ideeën genoeg. Het ene soms nog gekker dan het andere. Maar zijn er ook succesvolle  projecten waarin jongeren helpen leeftijdgenoten op het rechte pad te houden?

etalage_goede_ideen_300

Het vijfde Goede Idee: Jongeren in Den Haag helpen bij de bestrijding van overlast door andere jongeren.

21-12-2008

Pieter Hilhorst en Michiel Zonneveld

Overlast van jongeren staat hoog op de politieke agenda. In alle discussie daarover is weinig aandacht geweest voor wat jongeren zelf kunnen doen om overlast te verminderen.

Daarom riepen wij in de vorige aflevering mensen op voorbeelden te geven van projecten waarin jongeren het heft in handen namen. Plannen te over. Van avondklok tot wijkverbod.  Maar plannen waarin de jongeren zelf een rol mogen spelen blijken zeldzaam.

Een uitzondering vormt het Stedelijk Mobiel Jongeren Team in Den Haag. Hier zetten ze jongeren in om de overlast door andere jongeren te bestrijden. De jongeren kennen de straatcultuur.

Drugsbaron

Fouad is 25, en heeft 21 maanden vastgezeten voor drugshandel. Zijn e-mailadres verraadt nog zijn verleden. Daarin zit het woord Klaas. Als we ernaar vragen moet hij lachen. Dan geeft hij toe dat hij vroeger Klaas werd genoemd, naar Klaas Bruinsma, de drugsbaron. Mitali (23) heeft maar liefst 4 jaar gezeten. Hij had een gewapende overval gepleegd. Beiden hebben radicaal gebroken met hun verleden. Ze dromen niet meer van easy money.

De jongeren op straat kennen de achtergrond van Fouad en Mitali. ‘Ze weten dat wij geen lieverdjes waren,’ zegt Fouad.  ‘Daarom accepteren ze ons.’ Fouad en Mitali zien zichzelf als grote broers die jongeren op straat ervoor kunnen behoeden dezelfde fouten te maken als zij hebben gemaakt.

Het is de taak van Fouad en Mitali om jongeren die rondhangen in de Koningsstraat zover te krijgen dat ze binnenstappen in het buurthuis en hulp accepteren. De jongeren die op straat rondhangen, zijn tussen de 12 en de 25 jaar. Ze hebben problemen thuis, problemen op school, problemen met justitie. Ze hebben schulden. Fouad en Mitali houden ze voor dat ze een keus hebben. Ze kunnen het op zijn beloop laten, of er wat aan doen.

Vrijwilligers

Ze bieden de jongens hulp aan. Mitali: ‘Er was een jongen die twee weken moest zitten voor niet betaalde boetes. Wij hebben hem aangeboden te proberen die straf weer om te zetten in een boete.’ Jongeren die het aanbod van hulp accepteren, dragen Fouad en Mitali over aan reguliere jongerenwerkers in het Stedelijk Mobiel Jongeren Team.

‘We hebben een A- en een B-team,’ vertelt manager Seher Akyol.  ‘In het A-team zitten mensen die zijn opgeleid voor jongerenwerk, in het B-team zitten jongeren die voornamelijk uit de doelgroep afkomstig zijn.’ Fouad en Mitali krijgen voor hun werk betaald, maar er zijn ook jongeren die het werk als vrijwilliger doen of als stage voor hun school.

Het B-team bestaat nu uit 11 jongeren.

De politie is enthousiast over de aanpak. In de zomer zijn dat er meer, want dan werken ze veel op de boulevard in Scheveningen. ‘Er zijn dan altijd jongeren die zich spontaan melden om vrijwilliger te worden of voor een stage. Meestal is dat omdat wij een vriend of vriendin goed hebben geholpen met een baan of om weer naar school te gaan.’

De jongeren uit het B-team krijgen coaching en gaan weer naar school. Uiteindelijk kunnen ze ook in een A-team terecht komen. Het Stedelijk Mobiel Jongeren Team wordt ingezet op die locaties waar het reguliere jongerenwerk er niet in slaagt de boel in de hand te houden.

Succes

Eerst wordt zes maanden geprobeerd de overlast terug te dringen. Daarna wordt bekeken of een verlenging nodig is. Maar het is de bedoeling dat het werk weer wordt overgedragen aan het reguliere jongerenwerk. De politie is enthousiast over de aanpak. Het aantal klachten neemt af en het wordt stiller op straat.

Fouad en Mitali zijn nu zo’n vijf maanden aan het werk in de Koningstraat. Vanaf een uur of vier tot een uur of tien hangen ze op straat rond. Voor de buitenstaander zijn ze niet van de andere jongeren te onderscheiden. Fouad is weleens bijna gearresteerd omdat hij niet direct opkraste toen een agent hem beval om weg te gaan.

Overigens wordt goed samengewerkt met de politie. Ze hebben van het wijkbureau een top-15 gekregen van de jongeren die voor de meeste overlast zorgen. Zij kennen die jongens. Ze nemen die jongens mee naar kantoor.

Buurthuis

Mitali: ‘Sommigen van die vijftien gaan gewoon naar school. We proberen te zorgen dat er een paar zijn die het goede voorbeeld geven aan de anderen.’ Fouad en Mitali zijn er trots op dat ze een hele groep Antillianen zover hebben gekregen om elke maandagavond naar het buurthuis te komen. Ze maken dan muziek of spelen tafelvoetbal. Op het einde van de avond zijn ze moe en gaan ze meteen naar huis.

Door het informele contact is het ook mogelijk ze te helpen hun leven op orde te krijgen. Een probleem met zulke jongeren is wel vaak dat ze hun afspraken niet nakomen. Fouad gaat ze daarom, als ze een afspraak hebben met een officiële instantie, vaak ophalen op straat, op de plek waar hij weet dat ze rondhangen.

De grote vuurproef voor de aanpak van het Stedelijk Mobiel Jongeren Team  is ‘de Oud en Nieuw’. Elk jaar worden in Den Haag dan tientallen auto’s in brand gestoken. Dit jaar gaan Fouad en Mitali tijdens de jaarwisseling de straat op. Ze moeten de jongeren weerhouden van het in de fik steken van auto’s.

Ze vertellen de jongens wat voor straf ze kunnen krijgen. Dat werkt, want zij weten als geen ander, dat het geen pretje is in de gevangenis.

De volgende aflevering (in januari) gaat over alternatieven voor de sociale werkplaats. Heeft u een goed idee dat zich heeft bewezen in de praktijk? Schrijf ons.  betoog@volkskrant.nl

Zie hier de hele Etalage voor Goede Ideeën van de Volkskrant

Niet op school leren, maar in de keuken

Pieter Hilhorst en Michiel Zonneveld, 17-01-2009 etalage_goede_ideen_300 Illustratie Mike OttinkHet zesde Goede Idee: laat leerlingen met een verstandelijke handicap leren werken in een café-restaurant.

Zie hier de hele Etalage voor Goede Ideeën van de Volkskrant

‘Het idee komt van van Bakkerij Theetuin Jikkemiene in het Zeeuwse Nisse,’ vertelt Ella Buijze niet zonder trots. ‘Enkele jaren geleden kwamen we daar tijdens een fietsvakantie toevallig met ons gezin langs. Daar werkten jongeren met wat je in  welzijnswerkjargon ‘een verstandelijke beperking’ noemt.

‘Ik heb weinig met die term. Het klinkt me te koud. Ja, dat is misschien ook wel vanwege ons pleegkind. Hij heeft moeite met leren. Theoretische vakken zijn niet aan hem besteed.

‘Toen we even later weer op de fiets zaten, zei mijn pleegzoon opeens vol overtuiging: ‘Hier zou ik wil wel willen werken.’ Dat heeft meteen de doorslag gegeven. Want werken in de horeca past inderdaad prima bij hem. Hij wil dolgraag mensen helpen. Op feestjes gaat hij ook altijd rond met hapjes en drankjes.

‘Opeens zagen mijn man en ik ook een toekomstige baan voor hem. Zijn enige perspectief leek een plek op een sociale werkplaats. Die verrichten goed werk hoor, maar het is de vraag of hij werk krijgt dat bij hem past. Afgezien daarvan is er bij de sociale werkplaats hier in Tilburg een wachtlijst van drie jaar. Intussen zitten de jongeren dan thuis.’

Rondgang

Het probleem was alleen dat er in Tilburg nog geen bedrijf was zoals Jikkemiene. Met haar man bedacht Buijze daarvoor een simpele oplossing: ze gingen het zelf doen. Nu is Ella Buijze de drijvende kracht achter Prinsheerlijk, een café en lunchrestaurant in de Tilburgse Nieuwlandstraat.

Haar zoon (15) zit nog op school, maar over een paar jaar zal ook hij hier werken. Hij heeft al een paar keer gevraagd wanneer hij nu eindelijk mag beginnen.

‘We zijn nu een half jaar open, en het gaat boven verwachting,’ vertelt Buijze aan een tafeltje in het restaurant. Ze heeft haar eigen bedrijf, een trainings- en opleidingsbedrijf, eraan gegeven om zich helemaal op haar nieuwe werk te kunnen storten.

‘We zijn begonnen met een  rondgang. In Nijmegen heb je bijvoorbeeld Blixem, een horecagelegenheid die met dezelfde doelgroep werkt, in Almere Tante Truus, enzovoort. Overal hebben we ongegeneerd afgekeken.

‘De belangrijkste les die ik heb getrokken, is dat leerlingen het het leukst vinden om in een restaurant te werken dat in alles op en top is. We hebben daarom bijvoorbeeld veel aandacht besteed aan de inrichting.’ Buijze wijst trots op het hippe interieur.

Bedrijfskleding

‘Maar belangrijk is bijvoorbeeld ook de bedrijfskleding. De ambitie is dat klanten aan niets merken dat met het restaurant iets bijzonders aan de hand is.

De ambitie is dat klanten aan niets merken dat met het restaurant iets bijzonders aan de hand isWe kiezen daarom bewust voor een ruime en gevarieerde kaart.’

De aanpassingen zijn onzichtbaar, zo blijkt als Pim – een van de leerlingen – ons rondleidt. De keuken is iets groter dan die in andere horecabedrijven, zodat de leerlingen iets meer ruimte hebben en dus niet bovenop elkaar zitten.

Ook bij de planning wordt rekening gehouden met het personeelsbestand. ‘Daarom doen we in de avond alleen speciale reserveringen en zijn we voor het overige publiek dicht. Dan heb je meer tijd om alles goed voor te bereiden,’ aldus Buijze.

‘Wat je als klant ook niet merkt, is dat dit ook een school is. Er werken hier tien leerling-medewerkers. Allemaal jongeren met leerproblemen, maar ze verschillen onderling nogal. Iemand met het Syndroom van Down, maar ook iemand die het net niet zou lukken een lagere beroepsopleiding met een diploma af te ronden. En hier lukt dat wel.’

Theorie

Een van de leerlingen is Ruben. Hij zat tot  kort geleden op het vmbo horeca-gericht. Het leek uitgesloten dat hij die opleiding ging afronden. ‘Ik had problemen met theorie,’ zegt hij. ‘Op het vmbo kon ik het niet volgen.’ Buijze: ‘Niet omdat hij niet slim genoeg is. Maar het moet in zijn tempo.’ Ruben: ‘Hier krijg ik individueel les, en gaat het wel goed.’

Een collega-leerling, Lisanne, vertelt dat ze op een Mytyl-school zat. ‘Ik wil heel graag iets met mensen doen.’ Zij heeft problemen met rekenen. ‘Dat is lastig in de horeca,’ zegt Lisanne. ‘Hier oefen ik daarom veel op rekenen.’

Buijze: ‘In Prinsheerlijk werken verder vier begeleiders. Zij werken in het café-restaurant, maar zei leidden de jongeren ook op. Onze chef-kok is een bevoegd docent. We bieden de leerlingen een breed aanbod. Ze krijgen bijvoorbeeld rekenlessen in het kantoor achter het restaurant.’

De bedoeling is dat de leerling-medewerkers uiteindelijk doorstromen naar een reguliere baan. Buijze denkt dat de meeste leerlingen een goede kans maken.
‘Economisch zit het nu tegen, maar voor de langere termijn is de verwachting dat de arbeidsmarkt krap is. In de horeca wordt hard gezocht naar personeel. En wat in het voordeel van onze leerlingen spreekt, is dat ze bijzonder gemotiveerd zijn.’   

Subsidie

Prinsheerlijk beleeft ondertussen een vliegende start. Vanaf de opening is het heel druk geweest. Buijze: ‘Meer dan de helft van de inkomsten van het bedrijf halen we uit de omzet van de horeca.’

Om voldoende geld binnen te halen, overlegt Buijze met een reeks instellingen. ‘We konden beginnen dankzij een aantal startsubsidies, onder ander van de Stichting Doen!. Nu gaat het om de structurele inkomsten.

‘Voor sommige leerlingen krijgen we geld binnen via de AWBZ. We werken verder goed samen met de Diamantgroep (de sociale werkvoorziening), het  UWV, de gemeente Tilburg en de instellingen voor het speciaal onderwijs.’

Buijze is inmiddels ook bezig met een ander initiatief voor dezelfde doelgroep. ‘Het café-restaurant valt onder de Stichting BUITENGEWOON, waarvan ik de directeur ben.

We zijn als stichting bezig de catering op te zetten voor de openbare bibliotheek hier in de stad. Over een paar maanden hopen we daarmee te beginnen.’

De volgende aflevering gaat over mediation bij klachten. Heeft uw instelling een manier verzonnen om de bureaucratische en juridische rompslomp van klachtafhandeling te bedwingen, of hebt u zelf te maken gehad met een alternatieve behandeling van uw klacht, mail dan naar: betoog@volkskrant.nl.

Zie hier de hele Etalage voor Goede Ideeën van de Volkskrant

Het zevende goede idee:

Niet juridisch afhandelen, maar bezwaren wegnemen

etalage_goede_ideen_300
Zaterdag 31 Januari 2009

De beste vindingen zijn ongelooflijk simpel. Het is een kwestie van het gebruik van het gezonde verstand. Na invoering rest maar één conclusie: waarom hebben we dat niet veel eerder gedaan? Een voorbeeld van zo’n simpele verbetering is een andere omgang met klachten en bezwaren van burgers.

In de wet staat een wettelijke termijn van 14 weken geformuleerd waarbinnen de overheid een bezwaar moet afhandelen. Om die termijn te halen zijn bij alle overheden procedures ingesteld. Burgers krijgen een ontvangstbevestiging. De betrokken ambtenaren winnen advies in bij een adviescommissie. Zo nodig houden ze hoorzittingen. Maar de meest voor de hand liggende reactie op een klacht of een bezwaar bleef achterwege. Die meest logische reactie is om een burger die klachten heeft of een bezwaar indient even op te bellen of er naar toe te gaan om te vragen wat er aan de hand is en om te onderzoeken of er een aanvaardbare oplossing kan worden gevonden zonder juridische heisa.

Voor de nieuwe aanpak bestaan verschillende namen. In Noord-Brabant noemen ze ’de andere aanpak van bezwaren’. In Zwolle spreken ze over (pre)mediation en bij het ministerie van Binnenlandse Zaken past de aanpak in het streven om de burger ‘een luisterend oor’ te bieden. Maar de analyse is steeds gelijk. Een strikt juridische afhandeling van klachten en bezwaren vreet energie van ambtenaren en van burgers, kost klauwen met geld en lost de achterliggende problemen niet op. Irene Pruim werkt voor de gemeente Zwolle met de nieuwe methodiek. Ze vertelt over een huiseigenaar die een exploitatievergunning had aangevraagd voor de verhuur van kamers. De benodigde kamervergunning had hij al, dus hij had ook al huurders. De buren hadden bezwaar aangetekend tegen de exploitatievergunning. Door contact te zoeken met de indieners van het bezwaar kwam Pruim erachter dat de buren bang waren voor geluidsoverlast. Het is haar gelukt om de buren en de eigenaar om de tafel te krijgen. Ze hebben afspraken gemaakt over de geluidsoverlast, waarna de buren hun bezwaarschrift hebben ingetrokken.

De gedeputeerde op bezoek 

Een strikt juridische beoordeling van een bezwaarschrift kan maar twee uitkomsten hebben. Het bezwaar wordt gehonoreerd of verworpen. De nieuwe aanpak biedt ruimte voor creatieve oplossingen. Een burger die bezwaar maakt tegen de afwijzing van een bouwvergunning krijgt uitleg dat als hij er geen puntdak opzet, maar een plat dak, het schuurtje wel gebouwd kan worden. Een Zwols kantoor dat op de voorgevel geen reclame mocht maken van de welstandscommissie, kreeg wel toestemming om reclame goed zichtbaar op zijgevels aan de achterzijde te hangen. Soms blijkt de oplossing in onverwachte hoek te moeten worden gezocht. Ritchie Trieling van de provincie Noord-Brabant vertelt over een aantal burgers die gezamenlijk nieuwbouw realiseerden. De provincie heeft een subsidieregeling om dit zogenaamde particuliere opdrachtgeverschap in de bouw te stimuleren. Omdat zij niet aan alle voorwaarden voldeden kwamen ze niet voor subsidie in aanmerking. Tegen die afwijzing hadden ze bezwaar aangetekend. De indieners erkenden dat ze niet aan alle voorwaarden voldeden, maar ze zagen zichzelf als voortrekkers en wilden daar erkenning voor. Vervolgens heeft de gedeputeerde aangeboden om de nieuwbouw te openen. Dat vonden ze geweldig en toen hebben ze het bezwaarschrift ingetrokken. Als niet gemakkelijk een oplossing kan worden gevonden kan ook een externe mediator worden ingezet. Een zaak ging over een milieuvergunning voor een bedrijf. Onder begeleiding van een mediator zijn toen gezamenlijke afspraken gemaakt tussen het bedrijf, de omwonenden en de provincie, naar tevredenheid van alle betrokkenen. Vaak is zo’n verregaande aanpak niet nodig. Uitleg geven over de beslissing is in veel gevallen voldoende. Trieling: “Mensen zijn al heel blij dat ze hun verhaal kunnen doen. Iemand zei tegen me: ‘Eindelijk heeft de overheid een menselijk gezicht gekregen.”

In Zwolle komen 700 bezwaarschriften per jaar binnen. Door de nieuwe aanpak wordt in de helft van de gevallen het bezwaarschrift ingetrokken. Noord-Brabant scoort ook vijftig procent. Uit onderzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken blijkt de nieuwe aanpak een kostenbesparing van 27 % oplevert. Die besparing schuilt vooral in tijdswinst. Ook voor de burgers. Die besteden op dit moment 4 miljoen uur aan klachten en bezwaren. De tevredenheid van de betrokken burgers en ambtenaren neemt met 20 % toe.

Dwangsom 

Gevraagd naar een mogelijk nadeel van de nieuwe werkwijze stelt Pruim dat er in overheidsland graag gewerkt wordt met prestatieafspraken. Over het percentage ingetrokken bezwaarschriften kunnen geen targets vooraf worden gesteld. Dan wordt het luisteren naar het verhaal van burgers al snel ingeruild voor het ompraten van burgers. Een ander mogelijk probleem schuilt in de Wet dwangsom die januari 2010 van kracht wordt. Als een bezwaar van een burger niet binnen de wettelijke termijn wordt afgehandeld, hangt de gemeente een dwangsom boven het hoofd. Soms heeft de nieuwe werkwijze een vertragend effect. Als eerst geprobeerd wordt om het samen op te lossen en iemand besluit om toch de bezwaarprocedure door te zetten kan het zijn dat de termijn niet wordt gehaald. Als de gemeente dan een dwangsom krijgt, is dat wel erg zuur. Een oplossing is dat alle deelnemers vooraf afspreken dat ze eventuele vertraging accepteren.. Op dit moment wordt, vanwege de nieuwe wet, in Zwolle al zo gewerkt. Ingewikkelder is de noodzakelijke cultuurverandering. Het doorvoeren van een simpele vinding is namelijk uiterst ingewikkeld. Ambtenaren zijn gewend om namens de gemeente te praten. Voor ze contact zoeken met de burger willen ze weten wat de juridische positie is. Ze hebben de neiging om meer het standpunt van de gemeente uit te leggen dan te vragen wat de burger met het bezwaarschrift wil bereiken. Pruim: “Klassieke ambtenaren beginnen bij de inhoud en zoeken dan contact met de burger. Wij draaien het om. Eerst zoeken we contact met de burger. Daarna komt de inhoud.” Trieling spreekt over de LSD-techniek die ambtenaren onder knie moeten krijgen. “Luisteren, samenvatten en doorvragen.” Het is kortom niet makkelijk om iets wat heel gewoon lijkt, ook tot alledaagse praktijk te maken.

 Pieter Hilhorst

Michiel Zonneveld

Verschenen in de serie Etalage voor Goede Ideeën, de Volkskrant 31 januari 2009

Conclusie: een mooie etalage is maar de helft van het werk

de Volkskrant, Het Betoog, 14 februari 2009 (pagina B05)
Pieter Hilhorst Michiel Zonneveld

SLOT Beter goed gejat dan slecht bedacht. Dat was het motto van deze rubriek, die hier vandaag voor het laatst verschijnt. Zie: vk.nl/goedidee Dit is de laatste aflevering van de ‘Etalage voor goede ideeën’. We begonnen de serie met een oproep om voorbeelden te geven van initiatieven in de publieke sector die navolging verdienen. We kregen veel positieve reacties. ‘Wat een positief initiatief in deze tijden van crisis en cynisme’, mailde een lezer bijvoorbeeld. Maar tussen de enthousiaste opmerkingen klonk ook de verzuchting dat we naïef waren. Sommige lezers wezen ons er fijntjes op dat sommige ideeën die we presenteerden, helemaal niet nieuw waren. Nu was dat ook niet de bedoeling. Onze analyse was dat in de publieke sector mensen te vaak zelf het wiel willen uitvinden, in plaats van rond te kijken en over te nemen wat elders zijn waarde heeft bewezen. Wij vinden jatwerk prima. Liever goed gejat, dan slecht bedacht. We willen best toegeven dat onze onderneming enigszins naïef was. Dat is geen spijtbetuiging achteraf. We waren strategisch naïef. Wij hebben een hekel aan wat we noemen de technocratische reflex: de neiging om tegen elk goed idee ten minste drie bezwaren in te brengen. Elk goed idee begint met een overschatting van de kracht van het eigen idee en een onderschatting van de problemen waar je bij de uitvoering tegenop loopt. De inzet van onze serie was om mensen in de publieke sector te verleiden goede ideeën over te nemen. We hadden gelijk dat er goede ideeën te over zijn, die het verdienen in de schijnwerpers te worden gezet. Studenten die in ruil voor gratis woonruimte bijles geven aan achterstandskinderen, de crèche waar ouders elkaars kinderen verzorgen. De school waar leerlingen die het niet weten een jaar kunnen zappen tussen opleidingen om schooluitval te voorkomen. De buurtsuper in het dorp die open kan blijven door er mensen met verstandelijke handicap te laten werken. Jongeren met een crimineel verleden die hangjongeren gaan helpen. Een stel dat een restaurant begint om te voorkomen dat hun kind op een sociale werkplaats moet werken. En overheden die het revolutionaire idee hebben om klagende burgers op te bellen, in plaats van een juridisch circus in gang te zetten. (Het overzicht staat op: vk.nl/opinie). De overschatting van het idee school erin dat we dachten dat het voldoende was om te laten zien hoe krachtig al die mooie voorbeelden zijn. We waren even optimistisch als de winkelier die denkt dat als hij zijn mooie waren in de etalage legt, klanten ze onmiddellijk zullen kopen. Maar iets in de etalage leggen, is maar de helft van het werk. Om mensen zo ver te krijgen om goede ideeën over te nemen, is meer nodig dan een wervend verhaal. Het is nodig je te verdiepen in de motieven van mensen die het idee zouden moeten overnemen en in de belemmeringen die ze tegen komen bij het kopiëren van een goed idee. Onze overtuiging is namelijk dat echte innovatie ontstaat als je probeert goede ideeën van elders toe te snijden op de maat van de eigen praktijk. Doordat iedereen die een idee overneemt er een eigen draai aan geeft, wordt het idee steeds verder geperfectioneerd. Iedereen heeft zich wel eens laten verleiden tot een impulsaankoop. In de etalage of in de reclamespot zag het product er zo mooi uit, maar eenmaal thuis blijkt de aanschaf waardeloos. Vaak komt de impulsaankoop voort uit een fantasie over een beter variant van jezelf, een afgetrainde variant van jezelf bijvoorbeeld, die dagelijks fluitend zijn oefeningen doet. Het aangeschafte fitness apparaat voedt even die fantasie, maar staat vervolgens nog jaren ongebruikt in de weg. De impulsaankoop is een aanschaf zonder zelfkennis. De enige manier waarop goede ideeën goed kunnen worden overgenomen, is als de kopieerder er goed van doordrongen is voor welk probleem het een oplossing is en in welke behoefte het voorziet. Sterker nog: de praktijk leert dat mensen hun manier van werken pas omgooien als ze beseffen dat het op de oude manier niet meer gaat. Wat de doorslag geeft, is niet de verleiding van het nieuwe, maar de noodzaak om af te rekenen met het oude. In onze serie legden we daarentegen de nadruk op de verleiding. Een andere teleurstelling die kan volgen op de verleiding die in de etalage ligt, is dat de gebruiksaanwijzing van het aangeschafte product uitermate ingewikkeld is. Voor je begrijpt hoe de nieuwe supersonische telefoon werkt, ben je weken verder. De publieke sector kent een waslijst aan innovaties die gestruikeld zijn over de gebruiksaanwijzing. Het nieuwe computersysteem is zo rijk aan mogelijkheden dat ze allemaal worden genegeerd. Afgelopen week werd bekend dat de brandweer bij een brand liever op de oude analoge communicatiemiddelen vertrouwt dan op de nieuwe digitale. De kracht van een geslaagd project schuilt niet alleen in het idee, maar vooral in de uitvoering. Wie klagende burgers opbelt zonder zich de vereiste vaardigheden eigen te maken, zal weinig succes boeken. Wij zijn eigenlijk vooral geïnteresseerd in wat er gebeurt als mensen een goed idee aanschaffen. Wat zijn voor het goed overnemen de doorslaggevende succesfactoren? Een derde mogelijke teleurstelling na de verleiding van de etalage is dat bij nader inzien het product toch zijn prijs niet waard was. Veel van de projecten die we hebben beschreven in deze serie zijn duurder dan de gebruikelijke manier van werken. Het loon van de medewerkers in de buurtsuper bestaat deels uit subsidies. De woning die aan de studenten wordt gegeven, levert geen huur op. Het kost geld om jongeren tussen opleidingen te laten zappen. De initiatiefnemers zijn er stuk voor stuk van overtuigd dat die kosten investeringen zijn die zichzelf terugverdienen. Het vermindert de uitval of het verbetert de leefbaarheid. Het probleem is alleen dat de winst voor iedereen is, maar een club wel de kosten moet dragen. Dat werpt een belemmering op voor het overnemen van goede ideeën. Deze mogelijke belemmeringen om goede ideeën over te nemen, zijn natuurlijk geen reden om die ideeën niet meer in de schijnwerpers te zetten. Dat kan nog steeds op de site. Ga naar: vk.nl/goedidee. Pieter Hilhorst Michiel Zonneveld

Copyright: Hilhorst, Pieter;Zonneveld, Michiel

Dit is het laatste artikel in een serie van negen. Eerdere artikelen verschenen in het Betoog van: 18/10, 25/10, 8/11, 22/11, 6/12, 20/12, 17/1 en 31/1.



Klik hier voor veel meer artikelen (vanaf 1992).

 


Hyperlinks
| Contact | Zoeken
Copyright © 2004 michielzonneveld.nl Alle rechten voorbehouden